Twijfelen tot alle zekerheid weg is

‘De Twaalf Gezworenen’ door het Noord Nederlands Toneel foto reyer Boxem

Twijfel is zuurstof, ruimte, vrijheid. Twijfel geeft bedenktijd, biedt kans voor nuance, weerstaat de waan van de dag. In landen waar de doodstraf wordt toegepast, kan twijfel levens redden. Dat is wat op het spel staat in de weergaloze rechtbankfilm 12 Angry Men uit 1957. Uiteindelijk leidt de twijfel in de film tot een morele triomf; het recht zegeviert, een leven wordt gespaard. Maar eigenlijk is dat secundair, zegt choreograaf Guy Weizman, die bij het Noord Nederlands Toneel een theaterversie regisseert. „De ware toedracht doet er niet toe. Dat je niet wéét of iets zwart of wit is, en dat dat mag, daar gaat het om.”

In de film, ooit als televisiescript geschreven door Reginald Rose, doet een Amerikaanse jury uitspraak in de zaak tegen een achttienjarige jongen die terecht staat voor moord op zijn vader. Elf juryleden vinden het na het proces glashelder: de jongen is schuldig. En als ze unaniem ‘schuldig’ stemmen, kunnen ze vlot naar huis. Maar eentje, nummer acht, gespeeld door Henry Fonda, twijfelt. Wat, roepen de andere elf uit, hoezo? Waarom denkt hij in godsnaam dat de jongen onschuldig is? Dat denkt hij niet, zegt acht. Hij weet het gewoon niet zeker. In 12 Angry Men zet zijn twijfel een verbluffend dialectisch proces in gang, waarbij elk ‘sluitend’ bewijsstuk gaandeweg ondeugdelijk blijkt. Eén voor één sluiten de juryleden zich aan bij nummer acht, tot de jury unaniem ‘onschuldig’ stemt. In die zin is de film ook een ode aan de retorica; aan logisch redeneren, analyseren en overtuigen.

Voor de tweede keer brengt het NNT het verhaal nu als toneelstuk, onder de titel De Twaalf Gezworenen. Maar dit keer in een wel heel opvallende, afwijkende aanpak: Guy Weizman van Club Guy & Roni voert de regie. Een choreograaf dus, die nauwelijks ervaring heeft met teksttoneel. „Dit rationele stuk staat zo ver van mijn beeldende theatertaal, dat het vanzelf een spannende ontmoeting is. Dat kan een wonder worden. Of een ramp.” Weizman wilde het stuk dolgraag regisseren, als lofzang op de twijfel. „Via allerlei media slingert iedereen maar zijn mening de wereld in, allemaal zo stellig, zo zeker van zijn zaak. Terwijl ik naarmate ik ouder word alleen maar meer vragen heb. Ik wil de vraag, de twijfel, het niet-weten vieren.”

Weizman heeft de film ter voorbereiding bekeken, en hij vond hem vooral netjes, clean. „Er kleeft een bepaalde naïviteit aan, en dat vond ik ook mooi. Goed of fout, dat leek in die tijd nog wat overzichtelijker.” Tijdens een repetitie in de Stadsschouwburg in Groningen valt direct op dat nummer acht, gespeeld door Bram Coopmans, hier een complexere figuur is dan in de eendimensionaal rechtschapen vertolking door Fonda. En ook nummer drie, die het langst vasthoudt aan ‘schuldig’, wordt van consequent furieuze ‘angry white male’ (Lee J. Cobb), in de belichaming van Loek Peters een man die groei doormaakt en erbarmen oogst. Coopmans: „Fonda speelt in de film een goedzak pur sang. Ik word gaandeweg gegrepen door de strijd; ik wil mijn gelijk halen. Dat is menselijker, en interessanter.”

De enscenering van Weizman eindigt met het beeld van Coopmans alleen op toneel, confuus, terwijl er stroboscopisch licht op zijn wezenloze gezicht valt: licht, donker, zwart, wit; wat is waar? Coopmans: „In de film triomfeert het Amerikaanse rechtssysteem. Iedereen gaat opgelucht en verlicht naar huis. Maar hier twijfel ik aan het slot; ik heb iedereen kunnen overtuigen, maar heb ik daar wel goed aan gedaan? Wat als ik een schuldig man heb vrijgesproken?”

Harde vader

Jurylid nummer drie belichaamt een ander belangrijk thema in de film: vadermoord, letterlijk en figuurlijk. De moordzaak raakt bij sommige oudere juryleden aan de angst om te worden afgezet door een nieuwe generatie, om er niet meer toe te doen. Bij ‘drie’ heeft dit een persoonlijke component. Loek Peters: „Hij is een harde vader geweest, en zijn zoon heeft zich tegen hem gekeerd. Ook al zo’n rotjong. De ‘schuld’ van de moordverdachte staat gelijk aan die van de zoon. Daarom houdt drie het hardnekkigst vast aan zijn overtuiging. Als hij de twijfel zou toelaten, als de jongen misschien toch niet slecht is, dan moet hij zijn mening over zijn zoon herzien, en dus over zijn rol als vader.”

‘We hebben niets te winnen of verliezen met ons oordeel’, zegt jurylid nummer elf in het stuk. Toch wel, toont Reginald Rose aan: een overzichtelijke overtuiging, een wereldbeeld, een identiteit. Peters: „Elk van de juryleden maakt gedurende het intensieve beraad een proces door, maar bij mij is dat het meest zichtbaar. Als nummer drie uiteindelijk zijn overtuiging loslaat, verandert hij als mens. Hij zal de volgende ochtend anders wakker worden. Geheeld, op een bepaalde manier, gelouterd.”

De problematiek rond de zoon van ‘drie’ ligt er in de voorstelling minder dik bovenop dan in de film, blijkt bij de repetities. Peters roept herhaaldelijk ‘kutjoch’ uit, waarbij onduidelijk is of hij het over zijn zoon of de moordverdachte heeft. In de film wordt dat antwoord gegeven in een scène aan het slot, waarin drie een foto van zijn zoon verscheurt. Zo’n signaal blijft hier achterwege. Peters: „De psychologische lijn is hetzelfde. Maar wij hoeven niet ‘let op toeschouwer, nu komt het!’ te doen. De film is uit 1957 hè, toen werd alles nog veel DUI-DE-LIJK-ER gedaan.”

Ook in de vormgeving daagt Weizman de toeschouwer uit om zijn eigen verbeelding aan te spreken. Hij laat de twaalf acteurs spelen op een ronddraaiende schans met een helling van dertig graden, om te illustreren dat het evenwicht zoek is, de machtsbalans verkeerd. „Het is een scheve wereld, er klopt niets van, en iedereen doet alsof het normaal is.”

Kafka’s Het Proces, dat was de eerste associatie van Weizman bij het lezen van het script. „Het is een griezelige wereld, waarin iedereen iets zeker weet, en er maar één is die vragen stelt. Nummer acht stuit op een massieve muur, van vooroordelen en onverschilligheid, en hij moet heel hard duwen en trekken voor daar beweging in komt.” Delen uit de voorstelling, met onheilspellende beelden, messen en bloed, zijn vormgegeven als de persoonlijke nachtmerrie van jurylid acht. Coopmans: „Hij geeft in zijn eentje de doorslag bij leven of dood van een mens. Dat is een verpletterende verantwoordelijkheid waar je behoorlijk van in paniek kunt raken. Ik denk dat hij zijn medejuryleden ook wil overtuigen van de onschuld van de jongen om maar niet de verantwoordelijkheid voor diens dood te hoeven dragen.”

Fris spel

Met zijn beeldende, fysieke aanpak van het stuk vraagt Weizman veel van zijn acteurs. Peters: „Die helling is steil, man, daarop spelen is zwaar! Het is vooral killing voor je kuiten en knieën.” Het spelen op de helling maakt de acteurs onzeker, zegt Peters. „Niemand kan nu op zijn gemak zijn lijntje even netjes van a tot z uitspelen. Dat doet Guy bewust zo, ook met zijn dansers. Hij wil ons ontregelen, zodat ons spel fris blijft. Heel vervelend soms, haha.” Maar inhoudelijk klopt het, vult Coopmans aan, omdat het publiek zo de twijfel voelt van de personages. „Ze hebben geen vaste grond onder de voeten.”

Door het draaien van de helling en de geraffineerde belichting verandert continu het toneelbeeld. Dat maakt dat de acteurs zich steeds tot een nieuwe situatie moeten verhouden, aldus Coopmans. Dat klopt inhoudelijk goed bij Rose’s opbouw, waarbij elk nieuw argument, elke ondermijning van een bewijsstuk de zaak in weer een compleet ander licht zet. Maar, zegt Weizman: „Het is ook in lijn met mijn nachtmerrie-idee: een nachtmerrie is nooit logisch of chronologisch, in een droom kun je uit het raam springen en in een boot belanden, en daarna in een vliegtuig. Het is zo’n degelijk stuk, zo’n well made play, dat het wel wat irrationaliteit kan gebruiken, vond ik.”

Daarom haalt Weizman vorm en inhoud gaandeweg de voorstelling steeds verder uit elkaar. „Ik wilde uitproberen hoe ver ik dat elastiek kan oprekken.” Zijn vervreemdende vorm en de degelijke inhoud zouden hevig kunnen botsen, maar kunnen elkaar ook versterken, zegt Weizman. „En dat kan elke avond weer anders zijn.”

Is er niet een groot risico dat hij met die aanpak de retorische kracht van het stuk ondermijnt? „Nee, ik denk dat die standhoudt. Maar ik wilde hem wel uitdagen.”