Onder één dak met een moordenaar

Jan Terlouw en zijn dochter Sanne schreven een thriller over de seriemoordenaar die in hun huis woonde. „Had ik het kunnen voorkomen”, vraagt hij zich af bij een bagel.

Schrijvers Jan en Sanne Terlouw. Samen schrijven ze speurdersromans. Sanne: „Ik nam als vanzelf mijn vaders taal, zijn fantasie en zijn ideeën over.”

Ze schreven samen zeven detectives voor ze toekwamen aan de thriller uit hun eigen leven. Vader Jan (83) en dochter Sanne Terlouw (55) woonden, zonder het te weten, een paar jaar onder één dak met seriemoordenaar Hans van Zon. Eind 1967 werd hij tot levenslang veroordeeld voor drie moorden, van drie andere werd hij verdacht. Jan Terlouw vond hem een „rare snuiter”. Sanne Terlouw, destijds nog een klein meisje, herinnert zich hem nauwelijks. Samen schreven ze een roman over een gezin dat vriendschappelijk omgaat met een moordenaar.

Groot huis in Utrecht, vader, moeder, twee dochters, een derde kind op komst. Het gezin in In huis met een seriemoordenaar lijkt op dat van Jan Terlouw, vlak voordat hij D66-politicus, minister en kinderboekenschrijver werd. Maar het is verzonnen. Jan: „We hebben ons niet precies aan de waarheid gehouden. Namen en gebeurtenissen hebben we veranderd. Waar het ons om ging is: hoe voelt het om met zo iemand te verkeren.”

Nou?, vraag ik als we in een piepklein lunchzaakje in Deventer zitten – kitsch, kandelaars en kroonluchters. Hij: „Mijn ongemak ging heel langzaam over in argwaan. Maar nooit sloeg het om in pure achterdocht.” Hans van Zon was de geliefde van Maria, een jonge vrouw aan wie het gezin Terlouw een kamer verhuurde. „Er was woningnood in die tijd. Je mocht alleen een huis kopen, als je bereid was huurders te nemen. Wij hadden er soms wel drie of vier. Meestal mensen van onze leeftijd, met sommigen raakten we bevriend.” Maria stelde hen voor aan Hans van Zon. „Hij was een charmeur. Knappe vent ook, alle vrouwen vielen voor hem. Hij deed zich voor als een intellectueel.” Hij leende precies de goede boeken (Slauerhoff, Elsschot) uit hun boekenkast („en jatte er een paar”), was behulpzaam, interesseerde zich voor politiek. Jan: „We waren D66 aan het oprichten. Het was een zoete inval bij ons thuis en hij leek dat idealisme te delen.”

Maar ondertussen. „Ik wilde absoluut niet dat hij alleen was met de kinderen.” Waarom niet? „Dat kon ik niet goed onder woorden brengen. Het was iets in zijn blik. Altijd nét langs je heen. Hij reed zonder rijbewijs, hij pochte dat hij bij de CIA werkte, hij loog over onbenullige dingen. Het begon met kleinigheden, en van lieverlee dacht ik: hij deugt niet.” Hij stal uit het kistje met buitenlands geld in Jan Terlouws bureaula. Bij elkaar een paar honderd euro. „Achteraf denk je: had ik hem daarvoor moeten aangeven bij de politie? Op dat moment vond ik van niet. Ik heb hem wel ernstig toegesproken.” Sanne: „O echt?” Hij: „Ja. Zo van: Hans, dit soort dingen doe je niet bij vrienden. Anders loopt het fout met je af.” Hij was dus niet bang voor Van Zon? Hij: „Absoluut niet. Volstrekt ten onrechte trouwens. Als hij er zin in gehad had, had hij me zo dood geslagen.” Zij: „Jaren later vertelde hij aan een biograaf dat hij begon met moorden om te kijken hoe dat voelde. En toen hij er eenmaal één had gepleegd, gingen alle volgende makkelijker. Hij had seks met een meisje. Sloeg haar dood, had daarna weer seks met haar.” Hij: „Daar is een woord voor.” Zij: „Necrofilie. Maar waarom doet iemand zoiets?”

Schuldgevoel

Hans van Zon werd veroordeeld tot levenslang. De straf werd omgezet naar 28,5 jaar en vervolgens met eenderde verminderd wegens goed gedrag. Na achttien jaar kwam hij vrij. Nog in de gevangenis trouwde hij met de therapeute die hem in de forensische observatiekliniek had begeleid. Hij overleed in 1998. Gescheiden, eenzaam en aan de drank.

Jan Terlouw: „Ik heb het mezelf vergeven.” Wat? Dat Hans van Zon bij hem thuis kwam? Hij wist toen toch niet dat hij een moordenaar was? „Toch hield ik een sluimerend schuldgevoel. Had ik die moorden kunnen voorkomen? Had ik moeten zien hoe hij werkelijk was?” Inmiddels weet hij dat je zoiets niet kunt weten. Sanne: „Mijn dochter heeft als psycholoog gewerkt in een tbs-kliniek. Zij zegt ook dat je zo’n type gentleman killer niet kunt herkennen.” Hij: „Direct nadat hij was opgepakt, heb ik het een beetje voor me gehouden dat wij hem kenden. Mensen die het wisten, meden ons. Getverderrie, die engerd had uit onze theekopjes gedronken.” Hij herhaalt: „Ik heb het mezelf vergeven. Maar ik ben er niet trots op.”

Durfden ze dit boek soms niet eerder te schrijven? Zij: „Het kwam niet eerder bij ons op.” Hij: „Het is nu vijftig jaar geleden. De meeste betrokken zijn dood.” Zij: „We hebben er wel ooit voor Libelle een verhaal over geschreven.”

Samen schrijven doen ze een jaar of tien. Jan Terlouw was al een succesvol (jeugdboeken)schrijver. Hij: „Dat ik schrijver ben geworden, is de grootse verrassing van mijn leven. Dat had ik nooit, nooit gedacht.” Hij is gepromoveerd als fysicus. „Aan wiskunde ben ik lang verslingerd geweest. Eigenlijk is dat ook een taal. Een heel mooie taal.” Sanne: „Mag ik vertellen hoe het bij mij ging?” Dat mag. „Mijn vader vertelde ons vroeger elke avond een verhaal.” Sanne is de oudste van de vier kinderen Terlouw. „Ik nam als vanzelf mijn vaders taal, zijn fantasie en zijn ideeën over. Ik ging doen wat hij deed.”

Samen schrijven ze speurdersromans. Hij: „Die hebben een heldere structuur, een paar vaste wasknijpers op de lijn: Wie is het lijk? Waarom is hij dood? Wie heeft dat gedaan?” Zij: „Vroeger riep ik hoe het verhaal verder moest. Nu schrijf ik het.”

Voor In huis met een seriemoordenaar putten ze uit een gezamenlijk geheugen. Sanne: „De sfeer van de jaren zestig. De melkflessen bij de voordeur, het touwtje uit de brievenbus, buren die de achterpoort in en uit liepen.” Hij: „Nu zijn moorden aan de orde van de dag. Maar toen... het was flower power, baas in eigen buik, de samenleving was zoveel vrediger dan nu. ” Sanne: „Hippiemeisjes zoenden politiemannen op de wangen.” Zelf waren Jan Terlouw en echtgenote Alexandra net iets te oud om hippie te zijn. Hij: „Iedereen deed dingen die een beetje buiten de wet waren. Dat maakte het misschien extra moeilijk om Hans van Zon goed in te schatten. Nee, hij leefde niet zoals wij. Maar dat deden er meer niet. Ik verweet mezelf mijn kleinburgerlijkheid.”

Vegetariër

De menukaart staat gedrukt op een ouderwets singleplaatje. Sanne Terlouw kiest een salade. Ze eet al jaren geen vlees, maar sinds kort zegt ze expliciet dat ze vegetariër is. „Anders verandert er nooit wat.” Haar vader kiest een salade waar bacon in zit. „Een beetje mag best van mij.” Van haar niet. „Hè nee, vader, doe dan die andere.” Hij bestelt er glutenvrije bagels bij en een glas droge witte wijn. „Ik heb eens een maand niet gedronken om te zien of allerhande kwaaltjes dan over gingen. Niet dus.” Ach, zegt hij laconiek: „Ik laat het me een beetje aanpraten.” Zijn dochter: „Jij maakt anders elke dag groene smoothies.” Dat klopt, knikt hij. „Maar eten is niet goed of fout. Zo absoluut is het niet. Vroeger aten mensen ook een hele maand mammoet. Het lichaam past zich heus wel aan.” Dat is maar goed ook, want de glutenvrije bagels blijken op.

Het is „wonderbaarlijk en heerlijk”, zegt Sanne Terlouw, zo vitaal als haar vader is. Hij schrijft, geeft lezingen en treedt op met het Orion-ensemble van zijn derde dochter Pauline, violiste. Hij is dan verteller en speelt, bijvoorbeeld, de rol van Haydn. „Pruik op, gespen op m’n schoenen, de hele rimram.” Wie lang in de politiek zit, zegt hij, moet een goede toneelspeler zijn. „Op een partijcongres moet je ook bij je publiek binnen zien te komen. Sanne staat ook op het toneel met Orion. Zij vertelt over Bach, of is verteller bij de muzikale bewerking van haar roman Het Rozeneiland.

Echtgenote Alexandra Terlouw was jarenlang „het rode potlood” van de familie. Zij corrigeerde wat man en dochter schreven. Inmiddels schrijft ze zelf ook. Vorig jaar verscheen haar tweede boek. Haar eerste, De man van Tsinegolde, heeft ze aan hen voorgelezen. Jan: „Mooie avonden waren dat. De kinderen en ik, geen aanhang. Alleen ons oude gezin.” Het boek gaat over een jong meisje in de Tweede Wereldoorlog, met een Joodse moeder en een niet-Joodse vader. Sanne: „Het is het verhaal van haar jeugd.”

Sanne Terlouw interesseert zich al langer voor haar Joodse wortels. „Mijn moeders moeder was een Horowitz. Hoe ver je ook in haar familielijn terug gaat, je komt alleen maar rabbijnen tegen.” Sanne leert nu Hebreeuws, komt vaak in Israël, en ze richtte in Deventer de joodse gemeente Beth Shoshanna op. Sanne: „We hebben weer een sjoel. De thorarol bewaar ik bij mij thuis.”

Jan Terlouw, zoon van een gereformeerde-bondspredikant: „Ik vind de Joodse cultuur heel mooi. Heel talig ook.” Sanne: „Mijn moeder ziet er Joods uit, ze praat Joods, ze doet Joods. Maar verder heeft ze er niet zoveel mee. Ja, als ik een gebedenboekje bestel, wil zij er ook één.” Hij: „Daar doet ze gegarandeerd niks mee.” Zij: „Ze wil het gewoon graag in haar kast hebben.” Hij: „Ze is een boekenfanaat.”

Laatst zijn ze in hun vroegere huis in Utrecht gaan eten. Het huis van huurster Maria en haar moordende minnaar. Sanne: „Er wonen nu een stuk of zes studentes. Die vertelden dat er allemaal mythes zijn over het huis. Er zou een moord zijn gepleegd, en de botten zouden in de muren zijn gemetseld.” Hij: „Het verhaal was een eigen leven gaan leiden.” Zij, lachend: „We zeiden: ‘Dat van die moordenaar in huis, dat klopt’. Ze schrokken zich lam.”