Niks romantisch aan die jakkerende koetsjes

Een man steekt over in Amsterdam (1933), vlak voor tram 24 en enkele auto’s. Foto: Spaarnestad/ANP

Tot de meest nutteloze van de nutteloze waarnemingen behoort de waarneming dat een auto die enigszins schuin een stel tramrails oversteekt een geluid produceert dat als twee druppels water lijkt op dat van paardenhoeven op een harde weg. Klapklapklopklop.

Het geluid doet niet onder voor dat van de twee halve kokosnoten die rond 1900 in gebruik werden genomen om de stomme film wat op te tuigen. Maar het was op dat moment natuurlijk niet beschikbaar. Er waren nauwelijks auto’s en het schortte nu juist aan een goede geluidsregistratie.

Aardig genoeg zijn de kokosnoten tot in de jaren zestig in gebruik gebleven: bij al die radiohoorspelen die ook zo gretig piepende deuren, knerpende sneeuw, klotsend water en getoeter van auto’s door de dialogen mengden. Steeds opnieuw, want het assortiment was beperkt. Lang niet alle geluid viel houtjetouwtje na te bootsen. De keur aan levensechte hifi-geluiden waarover we tegenwoordig beschikken (Google eens ‘sound of horse hooves’) kwam pas binnen bereik toen het hoorspel zo dood was als een pier.

Maar hoor: ze hebben een nieuwe bestemming gekregen. Er is een grote belangstelling ontstaan voor de reconstructie van verdwenen geluid: het geluid van heimachines, paardentrams, zinken emmers, klossende klompen, handkarren, enzovoort. Niemand weet waarom maar opeens wil men de ‘soundscape’ van oude steden reproduceren. Je kunt nu naar schilderijen kijken en tegelijk luisteren naar het geluid dat bij het weergegeven tafereel past. Het is een genoegen, zeker.

Maar de aanname lijkt dat het aanhoren van de historische geluiden ook de emoties van weleer terugbrengt. Dat is natuurlijk onzin. Het geluid van paardenhoeven en geratel van vigilantes roept vandaag misschien romantische gevoelens op, anderhalve eeuw geleden was het het gewoonste geluid van de wereld. De duizenden wagens, koetsen en koetsjes die door steden als Londen en Parijs jakkerden vormden een constante bedreiging voor de voetganger die dezelfde weg gebruiken moest. Trottoirs waren er nauwelijks. De provinciaal die voor het eerst een grote stad bezocht en constant opzij werd gevloekt door koetsiers-met-haast ervoer geen spatje romantiek.

Eind vorig jaar verscheen in het Noise Control Engineering Journal de uitkomst van een onderzoek naar het verkeerslawaai dat rond 1930 in Amsterdam geklonken moet hebben. Het verkeer bestond nog overwegend uit fietsers (180.000 stuks), handkarren (11.500) en wagens of koetsen die door paarden werden getrokken (2.400). Het totaal aan auto’s en vrachtwagen beliep nog niet de 11.000. Dus heel veel lawaai kan dat niet hebben opgeleverd, denkt de buitenstaander.

Ook dat is een misvatting. Het verkeer produceerde meer geluid dan tegenwoordig en er heerste zo’n lawaai op straat dat de burgers steen en been klaagden. Kranten voerden verbeten campagne tegen de geluidsoverlast. Ze beschouwden het lawaai maken als een barbaarse gewoonte van de massa’s.

In een leesbaar artikel analyseren Erik Salomons, Karin Bijsterveld en collega’s de oorzaak van het probleem. Zij baseren zich op een verkeerstelling die in oktober 1930 in Amsterdam werd gehouden, op een onderzoek naar automobilistengedrag in Den Haag en op allerlei technische informatie die in het buitenland is verzameld.

Natuurlijk waren auto’s in 1930 lawaaieriger dan nu. Het motorgeluid werd minder goed gedempt, het chassis zat minder geraffineerd in elkaar, het wegdek was slecht, het schakelen ging moeizaam en de verbranding van het benzine-luchtmengsel was zó onvolledig dat voortdurend krachtige explosies in de knaldemper klonken. De ‘exhaust bangs’ die we kennen van Laurel en Hardy zijn geen artistiek verzinsel.

Maar ze waren niet het grootste probleem. Dat was het onophoudelijk getoeter. De automobilist van 1930 werd geacht bij elke zijstraat, dus bij elke straathoek, even kort te toeteren ter afwending van mogelijk gevaar. Het was niet wettelijk voorgeschreven, maar het was het eerste wat politie en verzekering vroegen als het toch tot een botsing was gekomen: had u wel getoeterd?

Er kwam bij dat wielrijders nog pontificaal midden op straat reden en dat de Hollandse voetganger de gewoonte had op willekeurige plaatsen en tijdstippen lekker schuin over te steken. De ‘Dutch crossing’ was berucht. Ook fietsers en voetgangers werden stevig betoeterd. De politie van Den Haag stelde vast dat er 5.400 keer getoeterd was als er 5.300 auto’s waren gepasseerd.

Onder de aanname dat de 1930-toeter gemiddeld 96 decibel op 5 meter afstand produceerde (de moderne haalt 102 dB) en dat er steeds 1 seconde lang getoeterd werd, en nog wat aannames meer, becijferden de onderzoekers de onthutsende geluidsbelasting die zoveel Amsterdammers tot razernij bracht. Een reeks van maatregelen heeft hieraan tenslotte een eind gemaakt. Het toeteren werd ontraden en de noodzaak om te toeteren werd zoveel mogelijk weggenomen. Er kwamen voorrangswegen, er werden stoplichten geplaatst, de fietser moest de goot in en de voetganger werd heropgevoed. Wie er tegenwoordig eens op let stelt vast dat het toeteren een grote zeldzaamheid is geworden.

Het is reuze jammer dat Salomons c.s. niet uitleggen welke soort toeters er in 1930 werden gebruikt. Er was nog lang geen eenvormigheid. Er waren fluiten, aangesloten op de uitlaat, er was de hoorn die met een gummibal werd bediend en er waren allerlei elektrische claxons, zelfs sirenes. De Ford A van 1930 was voorzien van een geestige claxon die ‘ahooga’ zei. Hij is bij YouTube te beluisteren. Je kon er hartstikke gek van worden, weten we nu.