Ik hoopte dat ik zou verdwijnen of doodgaan

Ik werd naar mijn kooi teruggebracht en opgesloten. Ik was niet meer dan een beest. Het was bloedheet in mijn kooi. Ik hield de lucht in mijn handen en trachtte hem te boetseren tot iets wat me zou kunnen redden. Ik was naakt, mijn kleren lagen op een keurig hoopje op de grond naast het kleine hoopje glassplinters dat ik had gevormd. Terwijl ik me aankleedde, terwijl ik probeerde te bedekken wat niet te bedekken was, bonsde mijn lichaam. Alles deed pijn. Mijn borsten zaten boordevol melk en ik vreesde dat mijn huid zo ver zou worden uitgerekt dat ze openbarstten. Omdat zitten te veel pijn deed liet ik me op de vloer zakken en schoof onder het bed. Daar was het koeler, en donker. Ik hoopte dat ik zou verdwijnen of doodgaan.

Ik wachtte tot mijn vader het losgeld betaalde of mijn man me kwam halen. Ik staarde naar de vloer en dacht: het heeft lang genoeg geduurd. Er komt echt iemand. Ik overleef dit. Ik wachtte op redding. Er kwam niemand. Buiten werd het weer donker. Als ik mijn ogen sloot zag ik alleen maar wat me allemaal was aangedaan, en daarom probeerde ik ze open te houden. Ik was verschrikkelijk moe. Ik viel in een onrustige slaap.

Langzaam brak de volgende ochtend aan. Ik lag nog steeds onder het bed. Het was nog steeds bloedheet in mijn kooi. Ik fluisterde mijn naam, de naam van mijn kind, de naam van mijn man, de naam van mijn kind, de naam van mijn man, mijn eigen naam. Steeds weer fluisterde ik die namen. Toen de deur openging verstijfde ik. Ik probeerde me stil te houden. Mijn spieren spanden zich. Ik zag een paar laarzen, die van de commandant. Hij tilde met één arm het bed op. Ik wist al hoe sterk hij was. ‘Kom daaronder vandaan.’ Ik schoof er langzaam onderuit, ging op mijn knieën zitten, wachtte even, klampte me vast aan het matras en ging beverig staan. Toen hij me aankeek wendde ik mijn blik niet af. Ik dook niet in elkaar. Hij kreeg me niet kapot. Ik was niet kapot te krijgen. Deze mannen hadden de dochter van Sebastien Duval ontvoerd. Ook al werd ik steeds minder zijn dochter, mijn ambitie om het te overleven was mijn enige emotie. Al het andere slikte ik weg en bewaarde ik ver buiten ieders bereik, ook het mijne.

De commandant gaf me een exemplaar van Le Nouvelliste. Ik staarde naar de datum: 10 Juillet, 2008. Drie dagen. Pas drie dagen waren er voorbij.

‘Hou de krant voor je,’ zei de commandant. Ik was te moe om te weigeren. Met trillende armen hield ik de krant voor mijn borst. De commandant nam een foto van me – ik werd verblind door de flits – graaide toen de krant terug en duwde me een telefoon in de hand.

‘En nu bel je je vader,’ zei hij, ‘en zeg je wat er gezegd moet worden.’

Ik knikte. Toen mijn vader opnam zei ik: ‘Hallo,’ maar ik verstond mezelf nauwelijks. De commandant pakte me bij mijn schouder en kneep hard. Ik slikte. Mijn keel was te rauw. Ik probeerde de noodzakelijke woorden te bedenken, de juiste combinatie van woorden die de commandant mijn vader wilde laten horen. Ik keek mijn ontvoerder aan. Ik ben heel koppig. ‘Mag ik Michael alsjeblieft?’ vroeg ik. Er klonk geschuifel en toen hoorde ik de stem van mijn man. Mijn knieën begaven het, ik zakte op het bed en meteen schoot er een stekende pijn tussen mijn dijen. ‘Met mij,’ zei ik.

‘Hoe is het met je? We doen ons best om je vrij te krijgen. Ik doe alles wat in mijn macht ligt, dat zweer ik je.’

‘Niet praten, Michael. Je moet horen wat ik zeg. Kom me alsjeblieft halen. Heel gauw.’

‘Dat probeer ik, schatje. Er zijn...’ Hij zweeg even. ‘We doen ons best het geld zo snel mogelijk bij elkaar te krijgen. Het komt goed met je. Alles komt goed.’

Het kwam door de absurditeit van zijn woorden; het kwam doordat hij niets van mijn omstandigheden begreep. Ik hing op.

De commandant sloeg hoofdschuddend zijn armen over elkaar. Hij hurkte zo ver neer dat we oog in oog zaten. ‘Je hebt nog niets geleerd.’ Glimlachend volgde hij met zijn vinger de omtrek van mijn gezicht, van mijn oor langs mijn kaak omlaag.

Fragment uit: In ongetemde staat, Roxane Gay.