Er is geen dictator van het mensenleven

Iedere wetenschappelijke revolutie wordt vanzelf clichématig. Toen in het jaar 2000 het menselijk genoom eindelijk en met veel toeters en bellen werd gepresenteerd door wereldleiders Bill Clinton en Tony Blair, struikelde je in de evolutionaire psychologie over de gedragsgenen die overal voor verantwoordelijk werden gehouden.

Maar in de biologie werd al snel duidelijk dat het inerte DNA-molecuul helemaal niet de dictator van een mensenleven kon zijn. Het gaat in de avant-garde van de celbiologie steeds meer over andere zaken. Over het extreem complexe proteoom: welke eiwitten zijn actief en welke vorm hebben ze? En het epigenoom: hoe worden welke genen wanneer aan- of uitgezet? En het microbioom: welke bacteriën zijn er allemaal actief in onze darmen? En er is het transcriptoom, over het RNA met al zijn varianten.

Maar intussen heeft de genenhype wel diepe maatschappelijke sporen nagelaten, nu zelfs met droge ogen beweerd kan worden dat goede verkopers op hun DNA zullen worden geselecteerd – ook in NRC Handelsblad.

Lucas Brouwers en Sander Voormolen leggen verderop in deze bijlage de bijl aan de wortel van een aantal hardnekkige DNA-mythes. En eerlijk geven ze toe dat de aanleiding was dat een lezer ons liet weten dat ook de wetenschapsredactie van NRC flauwekul in de krant had gezet. Agressiegenen? Lariekoek! Die lezer was hoogleraar genetica en epidemiologie Paul de Bakker, tevens actief twitteraar.

En zo worden telkens weer opnieuw de oude clichés opzij geschoven door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Wij zijn niet ons DNA. We zijn niet onze opvoeding. We zijn niet onze darmen. We zijn niet ons bewustzijn. We zijn niet ons onbewustzijn. En we zijn zeker niet ons brein, want we zijn ook nog ons lichaam en onze geest.

Wij zijn alles tegelijk – misschien.