De Citotoets is meer dan een momentopname

Het advies van leraren wordt belangrijker dan een eindtoets op de basisschool. Maar de Cito moet blijven, vindt Frederiek Weeda. Zonder objectieve toets weet de juf lang niet altijd wat een achtstegroeper kan.

illustratie Tomas Schat

Rachida en Wesley, ik heb hun namen veranderd, zaten vorig schooljaar bij mijn dochter in groep acht van een Amsterdamse basisschool. Beiden kregen van de meester een havo-advies. Hun ouders vonden dat mooi. Maar beiden bleken ze, na de Cito-eindtoets in februari, geschikt voor het vwo. En daar doen ze het, een jaar later, hartstikke goed.

Dat zou dit schooljaar misschien niet zijn gebeurd. Want de Cito-eindtoets mag niet meer worden gebruikt om het schoolsucces van een twaalfjarige te voorspellen. Het advies, de inschatting van de leerkracht, wordt bepalend. Omdat hij het kind al langer kent. En omdat de Citotoets volgens critici slechts een momentopname is.

Dus maken alle kinderen uit groep acht dit jaar de Cito-eindtoets niet in februari maar eind april, wanneer ze al lang het (bindende) advies van de leraar binnen hebben en wanneer ze al een middelbare school hebben gevonden. Alleen als kinderen als Wesley en Rachida een opvallend hoge Cito-score halen, mag de leraar zijn advies op de valreep verhogen. Maar dan moet hij overtuigd zijn dat hij ernaast zat.

De Cito dient voortaan alleen nog om de prestaties van de basisschool als geheel te meten. Veel ouders kijken daar overigens wel naar als ze voor hun peuter een school zoeken.

Het is alsof de klok twintig jaar is teruggezet. Kritische ouders, wethouders van onderwijs en middelbareschoolleiders ijverden in de jaren negentig juist vóór invoering van de Citotoets op alle basisscholen. Te vaak immers kregen ze geen zicht op wat een kind kon en wist aan het einde van de basisschool. Zonder objectieve toets bleef dat bij sommige kinderen onduidelijk. De school dacht aan de mavo voor Jan, zijn ouders wilden havo. Want ze wilden het hoogst mogelijke voor hun kind.

Onder die emotionele druk gaven veel leraren in groep acht een te hoog schooladvies. Positief gezegd: ze gaven het kind het voordeel van de twijfel. Soms ging dat om kinderen van ouders die met niets minder dan vwo genoegen namen. Soms om Turkse of Marokkaanse ouders die weinig snapten van het Nederlands onderwijssysteem. Zij hadden altijd van de juf begrepen dat hun kind het „zo goed deed”. En dus waren ze teleurgesteld toen het een LTS-(nu vmbo-)advies kreeg. Hij zou toch advocaat worden! Vooruit, zei de juf, probeer de mavo maar.

Die druk is sindsdien alleen maar groter geworden – ouders denken dat hun kind minder gelukkig zal zijn als het een te laag diploma haalt.

Middelbare scholen kregen zo te veel kinderen in de brugklas die het tempo niet aankonden. Zij wilden een objectieve meetlat, en daar werd al sinds de jaren zestig aan gewerkt bij het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling. In Amsterdam werd die na veel gesoebat in 1996 verplicht voor alle basisscholen. En wat bleek: Amsterdamse kinderen haalden gemiddeld veel lagere Citoscores dan kinderen in andere delen van het land. Van Rotterdam, een vergelijkbare stad, was dat niet bekend – daar gebruikte in die tijd vrijwel geen enkele school Cito.

Afgerekend op lage scores

Meten is weten, concludeerde de toenmalige PvdA-staatssecretaris Tineke Netelenbos. Enkele jaren later voerde ze de Citotoets in voor alle basisscholen (of een soortgelijke toets). De opluchting bij kritische ouders en middelbare scholen was groot.

Veel basisscholen met ‘achterstandskinderen’ vonden de verplichte Citotoets maar niks. De school zou voortaan worden afgerekend op lage Citoscores, terwijl, zo zeiden ze, de mensen eens moesten weten hoe groot de taalachterstand was van de kleuters die er binnenkwamen. Men kon toch niet verwachten dat de school dat in acht jaar wegwerkte!

Daar hebben kinderen als Rachida en Wesley niets aan. Als ze weinig hadden geleerd op school, en lage Citoscores hadden gehaald, had de basisschool in acht jaar misschien beter haar best moeten doen. Maar ze haalden hoge scores, hoger dan verwacht. Dankzij de Cito-toets mochten ze naar het vwo.

Ze horen bij de 15 procent van alle kinderen die elk jaar een hogere Citoscore haalt dan de leerkracht had verwacht. Een kwart haalt een lagere score en ongeveer 60 procent maakt de eindtoets precies zoals de juf al voorspelde.

Een objectieve meetlat blijft dus nodig – alleen al om omdat een basisschool een kind enorm kan waarderen omdat het „zo goed zijn best doet”, waardoor kind en ouders denken dat alles goed gaat. Maar een middelbare school hecht minder waarde aan inzet en kijkt echt naar cijfers. En een werkgever al helemaal. Het kan niet verbazen dat een kwart van de Amsterdamse jongeren tussen 15 en 27 jaar werkloos was, vorig jaar. Bijna de helft van hen heeft geen volwaardig diploma (een ‘startkwalificatie’ in jargon). Dat zijn de kinderen die in de jaren negentig (en later) massaal onder het landelijk gemiddelde presteerden.

Intussen was er een ontwikkeling die de voorspellende waarde van de Cito-eindtoets weer verkleinde: assertieve ouders stuurden hun kinderen massaal op Cito-cursus. Ook sommige basisscholen oefenden eindeloos de Citotoetsen met groep acht. Zo schroefden ze de scores op.

En zo kon het gebeuren dat middelbare scholen opnieuw kinderen in de klas kregen die het tempo niet aankonden – ondanks hun goede Citoscore. Voor die kinderen is de Citoscore inderdaad slechts een momentopname. Zelf hebben ze er uiteindelijk niets aan. Hebben ze te veel onvoldoendes, dan worden ze na het eerste brugklasjaar gewoon van de middelbare school gestuurd.

De eerste berichten zijn er al: leraren nemen dit jaar in januari en februari alsnog een oude Cito-eindtoets af om hun indruk van elke achtste-groeper te toetsen. Ook middelbare scholen, zeker de populaire gymnasia, lycea en categorale mavo’s, zoeken manieren om tóch even te meten wat het aangemelde kind weet en kan – het advies van de basisschool ten spijt.

Noem het prestatiedruk of toetsgekte. Maar een paar zware toetsdagen op je elfde zijn minder schadelijk voor een mens dan slecht onderwijs, van de middelbare school worden gestuurd of op jonge leeftijd al in de kaartenbak van het UWV belanden.