Buiten de binnenstad

John Jansen van Galen is urban walker: wandelend verkent hij de randen van de stad.

Zicht op Rotterdam

Dat je om mooie wandelingen te maken de ‘natuur in’ en de stad uit moet, is een wijdverbreid misverstand. Sterker, de goed uitgekiende voettocht binnen de stadsgrenzen kan meer afwisseling en verrassing bieden dan een lange mars door bos en heide. De ontwerpers die voor een reeks voettochten in Nederlandse steden trajecten uit de binnenstad naar de stadsranden en terug uitzetten, noemen het urban walking.

Vroeger heette het ‘stadswandelen’ en dan ging het vooral om de eeuwenoude stadskernen met hun grachten en pittoreske gevels. Urban walkers doorkruisen ook de uitgestrekte, rustige negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse buurten daaromheen, veelal royaal aangelegd met parken en waterpartijen. En ook de wijken vol industrieel erfgoed van allang afgedankte scheepswerven en zeepziederijen. Langs volkstuinen, woonboten en kinderboerderijen bereikt de wandelaar dan de grens van de stad en kijkt uit over een weidse plas of een moerassig natuurgebied met rijen knotwilgen langs de sloot.

Wij namen de proef op de som met het nieuwste routeboekje in deze reeks: Wandelen buiten de binnenstad van Rotterdam, en alle drie de routes bleken een ware eyeopener. Het mooist was het op het modderige jaagpad naar Overschie. In de verte de onmiskenbare, indrukwekkende skyline van de Maasstad, vlak voor je zicht krijgt op dit ruim duizend jaar oude stadje zoals schilders het eeuwen geleden al zagen: twee kerken, de bijeen schuilende huizen aan de rivier waar in een wijde bocht het veerhuis uit 1767 staat met het wapen van Delft in de gevel. En zowaar stond er ook, zoals het kinderliedje Aan de oever van de Rotte het wil (’t is de moordenaar van je vader!’) een ooievaar aan de oever. Alleen heet dat water niet de Rotte maar de Schie en zal die, als de projectontwikkelaars hun zin krijgen, eerlang recht getrokken worden. Ga er dus gauw kijken!

Eerder bewonderden we een kloek bakstenen rioolgemaal, beelden van Chabot tegen sierlijke bruggen, plaquettes in de gevels die de nijverheid in de havens verbeeldden en voormalige verffabrieken. Later namen we het vroegere Van Nelle-gebouw in ogenschouw en de Mevlana-moskee, landmarks die je niet ziet op een wandelroute van Natuurmonumenten.

En dan het water! Overal in en rond Nederlandse steden is water. Rivieren als de Rotte en de Schie met hun kunstige sluizen en bruggen, kanalen, sloten, een poel met een ‘snoekenpaaiplaats’ en als je geluk hebt (en wij hadden geluk) blikkert het water van de Bergsche Plas zo fel in de zon dat je de hemelhoge torens op het Weena er maar vaagjes doorheen ziet. Voorbij de poldermolen speelden scoutinggroepen weer het spel van verkennen: er is altijd genoeg te beleven vlak bij de stad. (Eén waarschuwing: ga er niet vanuit dat er horeca in overvloed aanwezig is. Op de tocht naar Overschie en terug scoorden wij twee cafés en één snackbar, alle gesloten.)

Grazigeweiden

Heeft Rotterdam al veel te bieden (tien routes van 7 tot 16 km), het wordt nog verre overtroffen door Utrecht, waaraan zelfs twee routeboekjes zijn gewijd. Westwaarts kun je door deze stad heen de Vecht volgen naar het oude kasteel en dorp Zuylen, oostwaarts langs de Kromme Rijn naar idyllische landgoederen als Amelisweerd en Rhijnauwen en verder naar Bunnik, maar je kuiert ook door grazige weiden naar waar men zich opeens omringd ziet door de intrigerende, indrukwekkende architectuur van de Uithof. Er is daar trouwens rond een fort van de Hollandse Waterlinie een prachtige hortus – met vleesetende planten!

Wij zijn als urban walkers voorlopig nog lang niet uitgewandeld buiten de binnensteden van Nederland.