Beste Marc, ik geef juist veel om de huisartsen

Kunnen de onderhandelingen tussen verzekeraars en huisartsen niet rechtvaardiger verlopen? Vorige week riep Marc Chavannes VGZ-bestuurslid Klink daartoe op.

Het antwoord: wij willen juist dat huisartsen een grotere rol gaan spelen in het streven naar betere zorg, schrijft Ab Klink.

De huisartsenzorg gaat me om veel redenen aan het hart. Huisartsen kennen patiënten en hun achtergronden, kwetsbaarheden en de bronnen waaraan ze kracht ontlenen. Huisartsen kijken naar de mensen achter de protocollen. Juist die aandacht bevordert maar al te vaak de gezondheid. Zorg verlenen is meer dan een technische handeling. Uit Zweeds onderzoek blijkt dat juist de persoonlijke aandacht van het allergrootste belang is voor het revalidatieproces, zelfs bij aandoeningen als heupfracturen. Bovendien bieden huisartsen zorg dichtbij. Kortom, huisartsen benaderen patiënten integraal, persoonsgericht en zijn letterlijk dichtbij.

Dat is precies de reden dat mijn collega’s bij coöperatie VGZ (en ikzelf sinds begin vorig jaar) een impuls hebben gegeven aan goede huisartsenzorg. Daarbij horen aantoonbaar extra investeringen in de zorg voor ouderen, dementerenden en chronisch aandoeningen. Mijn collega’s hebben vanaf 2010 flink geïnvesteerd. Terwijl de zorgkosten volgens de landelijke akkoorden met 2,5 procent groeiden, investeerde coöperatie VGZ jaarlijks minimaal 5 procent extra in de huisartsen en ketenzorg door zorggroepen.

Die beweging moet wat mij betreft doorgaan. Dat geldt ook voor het verplaatsen van zorg waar dat kan: van ziekenhuizen naar huisartsen. Dat levert financiële ruimte op om te blijven investeren in de huisartsenzorg.

Gezamenlijk, huisartsen, specialisten en zorgverzekeraars, kunnen we de zorg verbeteren en geld besparen. Wel moeten we dan vermijden dat ziekenhuizen hun capaciteit weer opvullen met, zoals Marcel Levi zei, onzinnige zorg. Meer dan 4 miljoen verzekerden verwachten van ons dat we hun premiegeld uitgeven aan zinnige dingen en kosten in de hand houden. Anders gaat het eigen risico weer omhoog of komt er een pakketverkleining.

Juist om dat te vermijden, vragen we van huisartsen ook een bijdrage. Bijvoorbeeld bij het voorschrijven van medicatie. Wij vragen hen om alleen dure merkgeneesmiddelen voor te schrijven als daar een medische noodzaak voor is. Hetzelfde geldt voor laboratoria. Waarom is het ene laboratorium zoveel duurder dan het andere, terwijl er geen aanwijsbaar verschil is in kwaliteit? Duurdere centra verlagen hun prijzen nu we selectiever contracteren. Waarom zouden huisartsen daaraan niet meewerken? Patiënten hoeven in de regel niet verder te reizen, want prikposten blijven in de buurt.

Een aantal huisartsen weigert de extra betaling voor aparte prestaties, zoals doelmatig voorschrijven, omdat daarmee de verzekeraar invloed zou krijgen op wat goede zorg is. Ik kan me dat laatste gevoel best voorstellen, maar als de kwaliteit en klantbeleving niet in het geding zijn – soms zelfs beter worden – waarom zouden we onnodige kosten dan niet voorkomen?

Een ander bezwaar van de huisartsen ging over het wegvallen van nu juist een extra beloning voor bepaalde verrichtingen, zoals het plaatsen van een spiraaltje. Dat gebeurde op basis van een nieuw bekostigingssysteem van de NZa. Het verschil door de lagere tarieven is overigens niet bezuinigd, maar toegevoegd aan het algemene salaris van alle huisartsen: het inschrijftarief ofwel een vast bedrag dat huisartsen per patiënt ontvangen.

De bezwaren van deze artsen begrijpen wij overigens goed. Want collega’s die geen spiraaltjes plaatsten maar hun patiënten doorverwezen naar het ziekenhuis, krijgen het budget voor dit soort verrichtingen nu ineens ook via het hogere bedrag per patiënt. Dat voelt oneerlijk. Daarom heeft coöperatie VGZ er, na overleg met huisartsen, voor gekozen om huisartsen die een bovengemiddeld aantal spiraaltjes plaatsen daarvoor te vergoeden. Wij nemen bezwaren van huisartsen serieus en zullen dat blijven doen.

Nu kom ik bij een hoofdvraag: moeten we dit willen? Is het goed dat verzekeraars kunnen sturen en onnodige kosten kunnen vermijden?

Als verzekeraars vertegenwoordigen we miljoenen verzekerden en patiënten. Toch gaan wij niet over de kwaliteit van de zorg, daar hebben we artsen voor. Maar als die artsen ons vertellen dat goedkopere medicijnen even goed en soms zelfs minder riskant zijn dan nieuwe en duurdere, dan is het ook onze taak daar op te letten. Er is een rol voor verzekeraars, maar wat betreft de kwaliteit is de arts wel degelijk als eerste aan zet.

Daarom hebben we ons hard gemaakt voor een landelijke afspraak (2014) met de huisartsenorganisaties: prestaties waarvoor we extra kunnen gaan betalen, moeten bij voorkeur door artsen zelf worden ontwikkeld. VGZ werkt daar actief aan. Wij stellen ziekenhuizen en huisartsen via proeftuinen in staat om de zorg te vernieuwen volgens hun eigen inzichten. Wij leren van hen wat waardevol is en wat ondersteund en gestimuleerd moet worden. Daarbij is bewust gekozen voor het omkeren van de verhoudingen. Artsen bepalen wat goed is. Als dat helder is, volgt de systematiek van de bekostiging. Onze steun via proeftuinen is daarbij hard nodig, want op dit moment is de betere arts maar al te vaak een dief van zijn eigen portemonnee. Zeker als de arts mensen probeert te behoeden voor overbodige zorg, zoals de door deze krant geportretteerde KNO-arts Oei met zijn patiënt-betrokken zorg. Productie levert immers geld op, aandacht niet. Wij willen geen kwantiteit, maar kwaliteit betalen.

Dan, beste Marc, je punt over de contractering. Wij hebben geen winstoogmerk en we geven besparingen zoveel mogelijk terug aan verzekerden. We investeren veel geld in de eerstelijnszorg: veel meer dan de landelijke groei. Voorafgaand aan het opstellen van contracten overleggen we intensief met huisartsen, laboratoria, ziekenhuizen etc. Ook voor de contracten 2015 is dat gebeurd, ook al was de tijd die we daarvoor hadden veel te kort.

Zoals minister Schippers ook al zei: we kunnen niet met duizenden huisartsen afzonderlijk gaan overleggen. Met zorggroepen doen we dat wel, als het over hun ketenzorg gaat. Dat geeft al aan dat er bij ons geen principiële weerstand is. Met de landelijke koepel of met een regionale instantie mogen we niet onderhandelen volgens de regels van het mededingingsrecht. Met een vertegenwoordiging die krachten van een bestemd aantal artsen per regio weet te bundelen, mag dat wel. We staan daar niet negatief tegenover, als dat mededingingsrechtelijk door de beugel kan.

Met vriendelijke groet, Ab Klink