Arrogante bestuurders en zwakke studenten worden UvA fataal

Opeenvolgende bestuurders maakten van de Universiteit van Amsterdam de afgelopen 25 jaar een bedrijf. Tegelijkertijd blijken studenten in de hoofdstad weinig tijd in hun studie te stoppen en vooral ook weinig punten te halen. Dat komt niet meer goed, denkt Bastiaan Bommeljé.

Studenten zetten hun protest in het Maagdenhuis voort. FOTO: BOAZ TIMMERMANS

Al decennia behoren de studenten aan de Universiteit van Amsterdam tot de slechtst presterende van Nederland, en al decennia behoren de bestuurders aan de UvA tot de meest hoogmoedige van Nederland. Dit heeft geleid tot een universitaire gemeenschap waarin middelmatigheid en ijdelheid alsook zelfoverschatting en hybris permanent botsen. Dat loopt zelden goed af.

Het is niet eenvoudig te bepalen of het gekrakeel tussen studenten en bestuurders van de Universiteit van Amsterdam nu grappig, deprimerend of verontrustend is. Vast staat dat het een botsing betreft tussen twee groepen die in academisch opzicht een weinig indrukwekkende staat van dienst hebben.

Duidelijk is evenzeer dat het bij de heibel geenszins gaat om een plotsklaps oplaaien van universitaire emoties vanwege een bezuiniging op de Faculteit der Geesteswetenschappen. Integendeel, het gekibbel is de uitkomst van een lange geschiedenis van academische neergang en voortwoekerende interne onmin die de UvA verscheurt, en leerzaam is als exempel van de staat van het hoger onderwijs in Nederland.

De koele, harde feiten zijn weinig opbeurend. Enerzijds verkeert de UvA in een lange periode van bestuurlijke trammelant, getekend door de mislukte fusie met de Hogeschool van Amsterdam, de halfhartige fusie met de VU, peperdure projectontwikkeling, schuldenkwesties, eenzijdig doorgedrukte onderwijshervormingen en talrijke bestuurswisselingen.

Anderzijds behoort de UvA sinds jaar en dag tot de academische instellingen met het laagste studierendement en het grootste aantal uitvallers, terwijl Amsterdamse studenten gemiddeld het minste aantal uren aan hun studie besteden van alle Nederlandse studenten.

In 2002 trok de Vereniging voor Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) pijnlijk openlijk aan de bel hierover met de mededeling dat de studenten in Amsterdam bijna twee keer zo langzaam waren als studenten aan andere Nederlandse universiteiten. Dit feit was ook de UvA zelf niet ontgaan, en in 2009 bracht de ‘Werkgroep Studiesucces’ van de ‘Universitaire Commissie Onderwijs’ het ontluisterende rapport Studiesucces aan de Universiteit van Amsterdam naar buiten.

Hierin werd onomwonden gesteld dat de ‘cultuur van vrijblijvendheid’ binnen de UvA had geleid tot een grote achterstand in studieresultaten vergeleken met andere universiteiten. Bovendien werd geconstateerd dat de doelstellingen die het ministerie van Onderwijs had opgesteld voor 2014 volstrekt onhaalbaar waren voor de UvA. Een van die doelstellingen was dat 70 procent van de studenten de driejarige bachelor na vier jaar gehaald diende te hebben; aan de UvA bleven de meeste opleidingen hangen rond 55 procent, terwijl in de grote faculteiten, zoals Rechten, Economie, Psychologie en ook Geesteswetenschappen nog niet de helft na vier jaar afgestudeerd bleek.

Het rapport kon dan ook weinig anders dan vaststellen dat de UvA werd gekenmerkt door ‘zeer veel studievertraging’ en dat de UvA wat betreft studierendement ‘in de onderste regionen scoort’.

En dat terwijl het studietempo in het hoger onderwijs in Nederland toch al het laagst is van vrijwel alle Europese landen. Niet voor niets betitelde de Commissie Veerman in 2010 het rendement van het hoger onderwijs als ‘veel te laag’ en de studie-uitval als ‘onaanvaardbaar hoog’. En nog onlangs luidde de Onderwijsinspectie weer eens de noodklok over het ‘onaanvaardbaar lage studierendement’.

Reeds decennialang vecht het Nederlands hoger onderwijs tegen de lage rendementen, maar tot op heden zonder veel succes. Overigens bleek de Universiteit van Amsterdam op geheel eigen wijze dat gevecht te zijn aangegaan. Bij een eigen onderzoek naar diploma-inflatie bleek dat aan de UvA tussen 1993 en 2003 steeds hogere cijfers aan studenten werden gegeven (het gemiddelde eindcijfer steeg van 6,1 naar 6,5; het aantal tienen verdubbelde), maar tevergeefs: het aantal uitvallers bleef toch stijgen.

In dit licht is het enigszins zonderling dat men de studenten in de hoofdstad niet hoort over hun eigen rol in de deconfiture van de Faculteit Geesteswetenschappen, waar ‘tegenvallende resultaten in studiepunten en diploma’s’ en ‘een sterke daling van de prestaties’ mede de reden zijn van het tekort van 7 miljoen euro. Verwonderlijk was het dus niet dat de facultaire decaan Frank van Vree de studenten op bittere toon verweet dat zij niet hard genoeg werkten en vaak minder dan 25 uur per week aan hun studie wijdden. Voor de Amsterdamse studenten Geesteswetenschappen is hij trouwens nog aan de optimistische kant. De onderwijsinspectie heeft becijferd dat bij universitaire studenten vanaf 2000 het gemiddelde aantal studie-uren per week is gezakt van 32,3 naar circa 25, maar dat dit in Amsterdam lager ligt, en bij studenten in de sector ‘taal en cultuur’ nog weer lager. Bovendien zijn deze cijfers zeer vertekend door het feit dat de door studenten opgegeven uren ‘zelfstudie’ zijn meegerekend.

Zeker is dat de werkelijkheid aan de UvA niet erg strookt met het beeld dat de diverse Colleges van Bestuur voor ogen staat. Zowel het Instellingsplan 2007-2010 (Leren Excelleren) als het Instellingsplan 2011-2014 (Oog voor talent) als het Instellingsplan 2015-2021 reppen van excellentie, kwaliteitsslagen, ambitie, en van het streven het studierendement spectaculair op te krikken. Zelfs zo spectaculair dat de centrale ondernemingsraad en de centrale studentenraad van de UvA tot twee keer toe niet hebben ingestemd met het laatste plan. Het College wenst voor de gehele UvA een ‘kritieke prestatie-indicator’, ofwel KPI, van tachtig procent rendement in de bachelor-fase (plus één jaar), veel beter dus nog dan de streefcijfers van het ministerie. Gezien de omstandigheden aan de UvA vinden de inspraakorganen dit nogal onrealistisch.

Dat is niet het enige probleem waarmee het CvB kampt. De ondernemingsraad van de UvA is ook niet akkoord met de gezamenlijke visie van UvA-VU en HvA voor hun samenwerking in de Amsterdam Academic Alliance (AAA). Niet verwonderlijk, nu blijkt dat de bestuursfusie van de UvA met de Hogeschool van Amsterdam is uitgedraaid op een ‘mislukking’, zoals Het Parool kopte.

Een voormalig HvA-directeur stelde in die krant: „Inhoudelijk is er geen zak van terechtgekomen.” Die directeur is overigens niet Jet Bussemaker, ooit ‘rector’ van de HvA en nu minister van Onderwijs. Een van haar eerste beleidsdaden was trouwens de benoeming van PvdA-partijgenoot Marleen Barth als toezichthouder bij de HvA, hoewel dergelijke politieke benoemingen bij wet verboden zijn.

Dat de geldverslindende fusie niet is geworden wat de bestuurders beloofden, is wel duidelijk. Hoewel de befaamde UvA-collegevoorzitter Jan-Karel Gevers al in de jaren negentig droomde over één wereldwijd toonaangevende Amsterdamse universiteit, begonnen de problemen al meteen in het begin van deze eeuw met een richtingenstrijd in het bestuur van de fusiepartners, waarin Sijbolt Noorda van de UvA tegenover Ankie Verlaan van de HvA stond.

In 2006 werd dit bestuur vervangen door een nieuw bestuur met UvA-theoloog Karel van der Toorn als voorzitter, waarna ook alle vijf managers van de stafdiensten werden vervangen.

Wie meent dat huidig collegevoorzitter Louise Gunning-Schepers de UvA autocratisch bestuurt, moet maar eens terugdenken aan de immer als ‘Bourgondisch’ omschreven Gevers (die Amsterdamse promovendi dreigde met strafrechtelijke vervolging toen die klaagden over de povere werkomstandigheden), of aan Noorda (wiens favoriete zin luidde: ‘Ik zal nog een keer herhalen wat ik wil’ – en dat was dan onder meer een dependance in Argentinië), dan wel aan Van der Toorn (die tegen elk inspraakadvies van staf en studenten in het gehate 8-8-4-systeem oplegde, waarbij de gedachte was dat 20 procent minder onderwijs het rendement zou opkrikken).

Het was onder deze drie collegevoorzitters dat de bestuurscultuur aan de UvA radicaal om-sloeg naar een bedrijfsmatige, topdownbenadering. Dit kwam mede door het feit dat de universiteit grote investeringen moest doen voor het beheer van het vastgoed dat de overheid in 1995 aan de instelling had overgedragen.

Ewoud Engelen heeft beschreven hoe dit ertoe leidde dat de UvA, mede door ambitieuze bouwprojecten en door lichtzinnig aangegane leningen (inclusief risicovolle derivaten) veranderde van academische instelling in een bedrijf waarin geldstromen, solvabiliteitsratio’s en liquiditeitsratio’s centraal stonden – en niet studenten, docenten en onderzoekers. Volgens Engelen zal in 2018 het schuldpeil van de UvA zijn gestegen tot 400 miljoen euro.

Iemand moet de rekening betalen voor de imposante gebouwen die de UvA financiert met deze schulden. In Amsterdam zijn dat de wetenschappers. Het zijn in elk geval niet de bestuurders. Thans is aan de UvA liefst 56 procent van het personeel in dienst van bestuur, beheer en organisatie. In 2013 nog werd de universiteit doorgelicht door het adviesbureau ACS. De conclusie was dat door het mangrovewoud aan staffunctionarissen veel beleid nooit doordringt op de werkvloer.

Geen wonder dus dat de UvA naarstig naar geld zoekt bij wetenschappers en studenten. Als studenten iets organiseren, moeten zij een vergoeding betalen voor elke stoel die ze uitklap-pen voor hun publiek. Wetenschappers die zo gelukkig zijn een Vidi of Vici-beurs bij NWO binnen te slepen voor hun onderzoek, moeten aan de UvA liefst 25 procent ‘overheadkosten’ afdragen (aan de Universiteit van Leiden niets).

Vandaar ook dat UvA-bestuurders al zo lang hakken in ‘onrendabele’ faculteiten als die der geestwetenschappen. En het grappige, deprimerende of verontrustende van de zaak is dat ze hierin au fond de studenten aan hun zijde vinden. Als studenten en universiteitsbestuurders het immers over één ding eens zijn, dan is het wel dat de studies ‘iets met communicatie’ en ‘iets met management’ veel renderender zijn dan geesteswetenschappen.

Die nieuwe nonsensstudies trekken studenten, zijn goed te doen in 25 uur per week, hebben geen kennisdoel, zodat men geen wetenschappelijke methodes hoeft te leren om zin van onzin te onderscheiden, en ze kosten weinig geld. Ideaal voor moderne studenten en moderne bestuurders.

Het is dus onontkoombaar dat de geesteswetenschappen zullen wegkwijnen aan de UvA. Want overal in het Nederlandse hoger onderwijs is de kloof tussen de glansfolders en de werkelijkheid onoverzienbaar groot geworden, maar nergens is die zo fataal wijd als in Amsterdam.