Zoek het verleden in het joodse bouwpuin

De Russische schrijfster debuteert met haar joodse familiegeschiedenis, deels onvermijdelijk opgebouwd uit fictie.

De Duits-Russische schrijfster Katja Petrowskaja in haar woonplaats Berlijn:Misschien Esther speelt zich vooral af in tsaristisch Rusland en Stalins Sovjet-Unie. Foto Urbain Zintel/ Laif/ HH

In veel opzichten doet Misschien Esther, het debuut van de Duitstalige schrijfster Katja Petrowskaja, denken aan het in 2007 verschenen en bejubelde The Lost van de Amerikaan Daniel Mendelsohn. Ook zij reist door Oost-Europa op zoek naar haar joodse wortels. En net als Mendelsohn komt ze uiteindelijk tot de conclusie dat het vrijwel onmogelijk is te achterhalen wat daar precies allemaal is gebeurd en wie haar voorouders werkelijk waren.

Het grote verschil tussen beiden is echter dat Mendelsohn een persoonlijk non-fictieverhaal schreef en Petrowskaja literatuur. Zo is ze zich ervan bewust dat ze de lege plekken in haar familiegeschiedenis met haar fantasie moet opvullen en speelt ze ingenieus met taal en vorm. Haar dromerige, soms geestige en associatieve stijl doet niet alleen denken aan W.G. Sebald, maar ook aan de Russische schrijver Daniil Charms en de Pool Bruno Schulz. Dat die drie literaire werelden in haar boek samenkomen is niet zo vreemd, want Petrowskaja is in 1970 in de Sovjet-Unie geboren en na haar studie literatuurwetenschap naar Duitsland geëmigreerd.

IJzeren vleugels

De vertelster in Misschien Esther begint haar speurtocht naar haar familieverleden op het ‘Hauptbahnhof’ van Berlijn. De woestenij rondom dit ‘ongastvrije’ station confronteert haar met de nazi’s, ‘want vanuit deze stad was de oorlog geleid die duizendvoudige verwoesting veroorzaakt had, wijd en zijd, een eindeloze Blitzkrieg op ijzeren wielen, op ijzeren vleugels.’

Wanneer ze onder de boog van het stationsdak leest ‘Bombardier willkommen in Berlin’, steekt ze de draak met die oorlog, die haar dag en nacht bezighoudt. Tegenover een Amerikaanse toerist op zoek naar zijn joodse wortels, die opmerkt dat ‘Bombardier’ hem aan een bombardement doet denken, fantaseert ze erop los door te antwoorden dat Bombardier (een Canadese treinenbouwer, red.) een Franse musical is die Berlijn aandoet. Met zulke humor weet Petrowskaja de zware thematiek van haar bijzondere familieverhalen luchtig en vermakelijk te maken.

Veel van de familieleden van de vertelster zijn schilderachtige figuren. Zoals grootvader Semjon Stern, een bolsjewiek die voor de geheime politie NKVD werkt en zijn achternaam russificeert tot Petrowski. Vasili, haar Oekraïense grootvader van moederszijde, wordt in de Tweede Wereldoorlog krijgsgevangen gemaakt. Uit angst om na 1945 in de goelag te belanden (krijgsgevangenschap stond gelijk aan verraad) blijft hij 41 jaar lang in het Westen, om zich daarna weer bij zijn vrouw in Kiev te voegen alsof er iets aan de hand is.

Misschien Esther speelt zich vooral af in tsaristisch Rusland en Stalins Sovjet-Unie. De enkele keer dat de vertelster het over haar gelukkige kinderjaren in Kiev heeft, dringt het wrede heden zich op in de vorm van de Afghanistanoorlog. Ze wordt ermee geconfronteerd als ze als tienjarige de doodskist ziet met de stoffelijke resten van haar dienstplichtige buurjongen.

Van moederszijde kan Petrowskaja bogen op zeven generaties leraren in het doofstommenonderwijs. Het levert mooie beelden op, zoals: ‘De benen van de vrouwen in onze familie werden met elke generatie slechter, ze verkommerden letterlijk, zei mijn moeder – en ze meende het serieus, voor de rest maakte ze graag grappen –, dat kwam doordat de vrouwen uit haar familie eeuwenlang zes dagen per week voor hun leerlingen hadden gestaan.’

Dit deel van het boek speelt zich af in Polen, waar de voorouders van Petrowskaja, de Krzewins, eeuwenlang in vrede hebben geleefd. Alsof ze die vrede wil verstoren, doet ze eerst Auschwitz aan en pas daarna Warschau, dat in 1939 met 39 procent joodse inwoners een paradijs voor joden was. Van dat paradijs resteert een schuldige stad, wat Petrowskaja illustreert met een originele impressie van het getto, aan de hand van een moderne filmcasting.

Aan het eind van haar Poolse reis belandt ze in Kalisz, vóór 1917 de meest westelijke stad van Rusland: ‘Overal werd er geweven en genaaid, de stad stond vol kleine en grote fabrieken, want Kalisz voorzag heel Rusland van kant, overal weefden vrouwen kant, koronka in het Pools, kroesjevo in het Russisch, ik zocht mijn Krzewins, en ook zij waren uit een weefsel ontstaan, uit dat taalornament.’

Na al dat speuren tussen die ‘kleine snippers, onechte kinderen, nooit gehoorde namen, verloren draden, onnodige details’ belandt Petrowskaja in Moskou. Daar volgt een huiveringwekkend en soms ook geestig relaas van de showprocessen van de jaren dertig, waaraan haar oudoom Judas ten prooi is gevallen.

Babi Jar

Pas in haar geboortestad Kiev vindt ze in het ‘bouwpuin van de geschiedenis’ de duidelijkste sporen van haar familie en vooral van haar ouders terug. En als je het over Kiev en joden hebt, ontkom je niet aan Babi Jar, het ravijn aan de stadsrand waar de nazi’s in 1941 zo’n 100.000 joden hebben afgeslacht. Babi Jar blijkt essentieel voor het relaas van Petrowskaja te zijn.

In de Sovjet-Unie, waar de sjoa werd ontkend, was het verboden om die massamoord te herdenken. Hoe traumatisch zoiets doorwerkt, beschrijft Petrowskaja aan de hand van haar dementerende grootmoeder van vaderszijde. Tot in de jaren tachtig bleef zij vanaf haar balkon op zeven hoog in Kiev roepen dat de fascisten haar kwamen vermoorden.

Om die tragiek nog meer te benadrukken vertelt Petrowskaja het relaas van haar invalide overgrootmoeder van vaderszijde, die in Kiev achterbleef terwijl de rest van haar familie de benen nam. Ze noemden haar baboesjka – ‘omaatje’ – meer naam heeft ze niet, want zelfs Petrowskaja’s vader weet niet hoe zijn grootmoeder heette. ‘Misschien Esther’, zegt hij, waarmee Petrowskaja zowel de titel van haar boek verklaart als de onmogelijkheid om je familiegeschiedenis echt te achterhalen. Hoe zou ze anders kunnen verklaren dat oudere joden in Kiev blij waren met de komst van de Duitsers, omdat ze meenden dat die net als in 1918 een einde zouden maken aan de wanorde van de bolsjewieken. Wanneer baboesjka aan een Wehrmachtpatrouille vraagt hoe ze als invalide vrouw de Duitse instructies voor joden kan opvolgen, wordt ze ter plaatse doodgeschoten. Petrowskaja verzint baboesjka’s mogelijke laatste woorden: ‘weest u zo vriendelijk megheer de offizhier, zegt u me alstublieft hoe ik in Babi Jar kom.’ Om er cynisch aan toe te voegen: ‘Zoiets kon echt irritant zijn. Wie geeft er nu graag antwoord op domme vragen?’