Ze ging nu eenmaal dood. Poef, weg

Behalve herinneringen laat deze ziekte- annex liefdesgeschiedenis ook zien hoe gemakkelijk fysieke ellende een wig kan drijven tussen twee mensen, hoeveel ze ook van elkaar houden.

Sarie krijgt een toeval tijdens een proefrit met de camper. Foto Thinkstock

Drie jaar geleden debuteerde Sander Kollaard (1961) met Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, een bundel met stemmige, melancholische verhalen. Ze gingen over dezelfde man, in verschillende levensfasen, die zijn draai probeerde te vinden. Hij oefende de kunst van het leven en riep daar graag de hulp bij in van oudere mannen.

In Stadium IV, zijn eerste roman, maken we nader kennis met zo’n oudere man. De 65-jarige Barend heeft zijn sporen verdiend. Hij is tevreden over het werk dat hij tot zijn pensioen heeft gedaan bij de politie, hij is tevreden over zijn gezondheid, spierkracht en zijn goede huwelijk en hij verheugt zich op de reis die hij met zijn vrouw Sarie gaat maken naar onder meer Zweden.

Je hoeft alleen maar naar de onheilspellende titel te kijken om te vermoeden dat deze tevredenheid geen stand zal houden. En inderdaad. Sarie krijgt een toeval tijdens een proefrit met de nieuwe camper. In het ziekenhuis wordt vastgesteld dat ze uitgezaaide (‘stadium IV’) kanker heeft in hoofd en longen.

Deze ziekte- annex liefdesgeschiedenis werkt 160 bladzijden lang toe naar de onvermijdelijke sterfscène. De vraag is natuurlijk hoe Kollaard die scène voorbereidt en of hij zal weten te ontkomen aan al te veel drama. Sentimentaliteit ligt bij zo’n onderwerp nu eenmaal op de loer, maar Kollaard weet de geschiedenis behoorlijk koel en afstandelijk te houden.

Hij vertelt het verhaal over Barend en Sarie niet in chronologische volgorde. Zodoende vangen we tussen de droevige kankerepisoden door steeds glimpen op van de mooie zomer van 1968 waarin de twee elkaar, op het idyllische eiland Öland, leerden kennen. Naar hetzelfde Öland keren ze, 44 jaar later, terug. Sarie hoopt er een laatste keer, ziek en wel, gelukkig te zijn met haar Barend. Daar, in Zweden, zal ze ook sterven.

Een ander stijlmiddel dat Kollaard gebruikt om de emoties te dempen, is het inlassen van wetenschappelijk klinkende passages. Zo wordt Saries doodvonnis ingebed in uitweidingen over celdeling, foutieve replicatie en metastase op afstand. Verderop worden we bijgepraat over de gang van zaken bij euthanasie , over hersencellen die zich massaal ontladen bij een epileptische aanval, en over chemotherapie. ‘In veel opzichten is de behandeling van kanker een poging tot moord die doodslag moet voorkomen’, heet het wat cryptisch.

Kollaard laat goed uitkomen dat een ziekte gemakkelijk een wig kan drijven tussen twee mensen, hoeveel ze ook van elkaar houden. Sarie heeft het gevoel dat ze in twee ‘kampen’ zijn beland. Barend hoort bij de energieke gezonden, zij bij de zwakke, lusteloze zieken. Zij ergert zich aan zijn drukdoenerij en regelzucht en aan zijn onmacht om de feiten onder ogen te zien en haar te laten gaan. Hij op zijn beurt stoort zich er aan dat zij er niet alles aan doet om haar leven te rekken door op tijd de juiste pillen te slikken en de chemo’s en bestralingen te ondergaan die de artsen adviseren.

Barend is een levenskunstenaar, terwijl Sarie de kunst van het sterven onder de knie probeert te krijgen. ‘Ze ging nu eenmaal dood. Poef, weg.’ Ze leest alleen nog de luchtige, speelse gedichten van de Poolse dichteres Szymborska, over zeekomkommers en mensen die bij een steen op bezoek willen om eens rustig in zijn binnenste rond te kunnen kijken. Van die luchtigheid en speelsheid van Szymborska is – anders dan in Kollaards lichtvoetige debuut in Stadium IV weinig terug te vinden. Soms schrijft hij ronduit zwoegerig. Neem bijvoorbeeld deze vooruitblik op Barend, als hij al een tijdje weduwnaar is, en tot niets anders meer in staat is dan nadenken over zijn gestorven vrouw: ‘Zo zwol zijn geheugen in de maanden na Saries overlijden tot een immateriële woekering die hem tot herinneren dwong.’

Wat mij het minst bevalt aan deze roman is de langverbeide sterfscène. Die is heel anders, minder natuurlijk, en ook een stuk minder ontroerend dan verwacht. Wonderlijker nog dan deze scène zelf is dat er helemaal niets op volgt. Lijkschouwing? Politieonderzoek? Juridische consequenties? Kollaard zwijgt erover. Het is niet erg aannemelijk dat dit ontbreekt. We lezen ook niets over een begrafenis of crematie. Voor Sarie maakt het allemaal niet meer uit, maar voor een lezer is het wel heel erg: ‘Poef, weg.’