Terroristen belagen mij

Na het eerste deel kreeg biograaf Otterspeer half Hermans-minnend Nederland over zich heen. ,,Ik heb geen idee wat een wetenschappelijke biografie is.”

Willem Otterspeer: „Hermans had een grote map en daarop stond ‘gekken’ en die gekken heb ik allemaal geërfd”. Foto Robin Utrecht

‘Hermans was een terrorist.’ Het is een van de stelliger uitspraken van Hermans-biograaf Willem Otterspeer. Gisteren verscheen deel II van zijn Hermans biografie: De zanger van de wrok. Net als in deel I kiest hij voor een rode draad: de wrok die al zijn ervaringen kleurde en waardoor totale eenzaamheid restte. Een tragikomisch beeld van die eenzaamheid geeft Otterspeer in zijn beschrijving van Hermans die in Groningen zijn draai niet vindt. Om de tijd door te komen gaat hij V&D in om daar een half uur de roltrappen op en af te gaan.

Het is niet de persoonlijke tragiek, maar het werk dat centraal staat in deze biografie. Dat hoort ook zo, vindt Otterspeer: „Als je niet iets over het werk aan de weet wil komen, moet je geen biografie schrijven. Ik heb daar ooit ruzie over gekregen met Hans Renders, die de interpretatie van de poëzie had weggelaten uit zijn biografie over Jan Hanlo. Want, zo zei hij, er was net een boek over Hanlo’s poëzie verschenen. Dat is niet de bedoeling natuurlijk. Door het lezen over iemands leven kom je meer te weten over het werk. Bij Hermans kan je er bovendien niet om heen dat hij een van de meest autobiografische schrijvers van Nederland is. Elke roman was een huid die hij afstroopte en meteen ook afkeurde. Behalve De God Denkbaar, Denkbaar de God. Maar… dat is helemaal Hermans. Een God die de bewijzen van zijn goddelijkheid niet kan geven.”

Als het werk het startpunt was, waarom werkte u dan vanuit de rode draad over wrok?

„Een biografie moet een rode draad hebben anders krijg je een opsomming van bronnen. Dat zou Hermans onwaardig zijn, want hij maakte van al zijn romans een mechaniek. Er is niet veel verschil in het schrijven van een biografie of een roman. Herman zei al: roman schrijven is wetenschap zonder bewijs. Nou, een biografie is wetenschap met een klein beetje bewijs. Het gaat om de structuur, en die moet één op één aansluiten op werk én leven. Toen ik na verschijning van De mislukkingskunstenaar het commentaar kreeg dat dit geen wetenschappelijk biografie was, begreep ik niet waar ze het over hadden. Ik heb geen idee wat een wetenschappelijke biografie is. De biografie is bij uitstek een literair genre.”

Had alle kritiek op deel I invloed op deel II?

„Ik had deel twee al voor de helft geschreven. Ik wilde niet dat er veel tijd zou zitten tussen de delen, dan krijg je te uiteenlopende boeken.”

De zanger van de wrok’ had u ook al bedacht, of was deze wel een antwoord op de kritiek?

„Nee, die had ik ook al bedacht. Beide titels stonden vast. Dat was trouwens ook zoiets. Op de eerste titel kreeg ik commentaar omdat mensen niet wisten wat een ‘mislukkingskunstenaar’ was, ze dachten dat dat hetzelfde was als een mislukte kunstenaar. Kijk, tegen slecht lezen heb ik geen verweer. Het is duidelijk dat Hermans een zeer geslaagd kunstenaar was, maar niet in zijn eigen ogen – dat is in het tweede deel nog veel navranter dan in het eerste.”

Hoe komt dat?

„Ik denk dat, mede door zijn opvoeding waarin elk plan gesmoord werd, hij al vroeg die combinatie had van verlegenheid en agressie. Uit die twee vloeit alles voort.”

Dat is nogal psychologiserend, terwijl u daar verder weinig ruimte voor neemt. Zo gaat u niet in op de heftige reactie van Hermans na de dood van zijn gehate vader.

„Ik ben huiverig voor psychologiseren. Alle psychologie is bedoeld voor de collectiviteit van een bepaald soort mensen. Als biograaf ben je met die éne figuur bezig en moet je hem begrijpen op grond van de bronnen die je hebt en van de kleine context waaruit die voortkomen. Het heeft geen zin met ziektebeelden te werken.”

Psychologiseren is niet hetzelfde als een ziektebeeld op iemand plakken. Iedereen die hem psychisch had kunnen duiden, voert u niet op.

„Dat is waar, maar vaak verval je in algemeenheden. Ik schrijf wel hoe Hermans tegenover het vaderschap staat, maar laat zijn zoon Ruprecht niet aan het woord. Ik heb hem wel gesproken, maar ik vond zijn visie niet interessant. Ik denk dat hij de negatieve kanten van zijn vader heeft weg gefilterd. Emmy, zijn vrouw, was wel een vrij goede bron. Ze bleef van hem houden, ook al was ze vaak eenzaam. Je kan je wel afvragen in hoeverre ze in zijn buurt is gekomen.”

U gaat apart in op de romans. Waarom?

„Omdat ik denk dat ik ze beter kan duiden dan iemand die zijn leven niet kent. Ik kan ze beoordelen op het stramien van zijn leven, en ik benadruk hoe goed zijn stijl is. Je ziet zelden geanalyseerd hoe epigrammatisch hij schrijft, hoe citeerbaar.”

Wat voor nieuw licht werpt u op bijvoorbeeld ‘De Donkere kamer van Damokles’?

„Ik haal de herkomst van de dubbelfiguur sterker naar voren. Die was natuurlijk al wel bekend, maar niemand weet waar die dubbelfiguur vandaan komt. Voor mij is het zeker dat hij opduikt op het moment dat zijn zuster sterft. Toen Corry, de zuster met wie hij altijd een enorme concurrentie had, vermoord werd of zelfmoord pleegde, heeft de dubbelfiguur zich vastgezet als in een noodlot. Een dubbelfiguur is natuurlijk een literaire truc, maar niet bij Hermans, bij hem was het innerlijke noodzaak.”

Na deel I kreeg u veel kritiek op de manier waarop u de dood van Corry beschreef.

„Ja, Hans Renders zei bijvoorbeeld dat ik de familie van Pieter Blind, de neef, had moeten interviewen. Het ging om de vraag of ze zelfmoord heeft gepleegd of is vermoord door die neef. Dat laatste is een absurde suggestie en het is ook aan de hand van het archief makkelijk te weerleggen. Het geheugen is volstrekt onbetrouwbaar. De beste getuigen zitten in het archief. En de eerste reactie van Hermans’ ouders was de vraag: waarom heeft Pieter onze dochter vermoord? Je weet: Hermans zei altijd dat hij in het vruchtwater van de angst was geboren, en voor Corry was dat net zo. Maar zij had niet de uitlaatklep van het schrijven, van de agressie. Ze was de angstigste figuur denkbaar. Hermans was er ook van overtuigd dat Corry zelfmoord gepleegd had. Toen de oorlog uitbrak was ze zo bang en door die verliefdheid – oké, hier ga ik psychologiseren – heeft het iets volkomen logisch dat je samen besluit zelfmoord te plegen. Ze wilden hier geen van beiden deel van uitmaken, ze wilden weg. Die dubbele zelfmoord is een logische kwestie voor mij. Ik heb Blinds kinderen niet geïnterviewd omdat ik er van overtuigd ben dat het geheugen volstrekt onbetrouwbaar is. Bovendien had ik alle bronnen.”

Stel dat het wel moord was of dat Corry een minder grote concurrent was dan Hermans zei, geeft dat een andere visie op het werk?

„Nee. Corry wás een briljant, gehoorzaam meisje, precies zoals Hermans haar neerzet. Die liefde is van die eerste oorlogsdagen. De vlam sloeg in de pan tijdens de inval van de Duitsers. Maar het beeld dat Hermans van haar schetst klopt.”

Dus de kritiek was onterecht?

„Het schrijven van deze biografie kan je vergelijken met een voetbalwedstrijd: je hebt hooligans die denken het beter te weten dan de trainer. Normaal breng je een auteur tot leven met een biografie. Hermans’ werk leeft nog. Dat blijkt wel, ik heb terroristen die mij belagen. De Hermans-camarilla is onverminderd werkzaam.”

Hoe bedoelt u?

„De mensen van het Hermans-magazine maken hele nummers over me [Volg het Etterspoor terug, red.], terwijl ik volstrekt oninteressant ben als biograaf. Iemand als Max Pam maakt zich daar dan woordvoerder van. Hermans had een grote map en daarop stond ‘gekken’ en die gekken heb ik allemaal geërfd.”

Zou u ook zo’n boek over Mulisch kunnen schrijven. U ruimt immers een apart hoofdstuk in over de relatie tussen die twee.

„Nee, hoewel ik het wel overwogen heb. Ik heb te weinig affiniteit met Mulisch’ werk. Hij is de grote antipode van Hermans. Mulisch zat handwarm in zijn tijd en was een doorslaand succes. De begrafenis toont een navrant verschil: Mulisch krijgt vrijwel een staatsbegrafenis, Hermans is na zijn crematie uitgestrooid door zijn vrouw en zoon, in dodelijk stilte.”

En dat heeft hij over zichzelf afgeroepen?

„Er zat niks anders op. Ik denk wel dat hij zichzelf een zondebok van de literatuur voelde. Mislukken was het enige dat erop zat voor de mens. Daar kon je grote literatuur van maken maar dat moest je dan zelf ondergaan. Hermans had meer boeken kunnen schrijven die de lezer hadden gepleased, maar hij wilde de lezer aan het einde van elk boek een klap voor z’n kop geven. Ik denk wel dat hij wist dat het zo zou aflopen. Het is een somber leven. Arjan Peters schrijft in de Volkskrant dat Hermans ook veel plezier maakte, maar dat is niet zo. Hermans zag lachen als een braakbeweging, waarmee je onverteerd voedsel uitkotst. Je kan er een lolletje van proberen te maken, maar dan denatureer je de literatuur van Hermans. Hij was een terrorist, die wilde hij ook zijn. Polemiek werd volgens hem alleen aan de uiterste flanken van links en rechts geschreven. Een polemist is een terrorist.”

Kunt u dat even uitleggen?

„Hermans raakte het zicht op de werkelijkheid kwijt toen hij gelijk kreeg in de Weinreb-affaire. Hij vond daarna dat hij het slachtoffer was geworden van zijn gelijk. Ik denk dat de romans er toen sterk op achteruit zijn gegaan. Zijn fundamentele kritiek op Nederland wordt razernij. Hij is er altijd mee bezig, maar vanuit een perspectief dat niet meer klopt. Geen van zijn vrienden zegt: hé, kom eens kijken hoe het echt zit. Hij heeft geen schrijversvrienden meer en leeft in een wereldbeeld dat niet meer gecorrigeerd wordt. Zijn romans worden satirisch en geven een beeld van ‘links’ Nederland dat totaal niet klopt. Het monologiseren dat hij ook al enigszins in zijn vroege werk deed, essays in zijn hoofd, wordt alleen maar erger. Niemand durfde er iets van te zeggen, zijn redacteuren ook niet. Het was alleen maar wijwater bij De Bezige Bij, blij met elk ‘meesterwerk’ dat binnenkwam. Niemand kan zonder kritiek. Hermans was ooit zelf zijn beste criticus. Kritiek en zelfkritiek zijn de beste methoden om te voorkomen dat je critici gelijk krijgen.”

Dus de agressie won van het uiteindelijk van de verlegenheid?

„Het is een gelijkspel gebleven. Hermans overwon zijn verlegenheid door permanent woedend te zijn, maar dat verlegen jongetje dat altijd het gevoel had dat hij bedonderd werd, bleef erin zitten. Daar doe je niks aan.”