Studenten hervinden hun engagement en eisen plek op

Wie heeft de macht op de universiteit? De bezetters van het Maagdenhuis van de Universiteit van Amsterdam menen dat die exclusief aan ‘de academische gemeenschap’ toekomt. Zij hebben genoeg van alle hervormingen die de laatste jaren door of namens ‘Den Haag’ over student en docent zijn uitgestort.

De herinrichting van het onderwijs in de faculteit der Geesteswetenschappen was de druppel die de emmer deed overlopen. Een helemaal niet zo onredelijke ‘brede bachelor’ waarin een aantal kleine talen zou opgaan, bleek volledig onbespreekbaar. Toen de decaan het plan introk, zwol het verzet pas echt aan.

De bezetters koesteren de illusie dat met radicale democratisering ál het onheil kan worden afgewend. Zij richten zich tegen het ‘rendementsdenken’, tegen flexibele arbeidscontracten, tegen samenwerking met andere universiteiten en stellen vragen bij nut en noodzaak van nieuwe huisvesting.

De Amsterdamse studentenstrijd om de macht is een echo van de studentenbeweging uit de jaren ’60 en ’70. Die mondde uit in de Wet Universitaire Bestuurshervorming, die een vergadercultuur opleverde waar weinigen naar terugverlangen. De opstand is ook nostalgisch – een verlangen naar de tijd dat universiteiten overzichtelijk, compact en door de staat gefinancierd waren. Maar vooral: toen er van de wetenschap economisch minder afhing.

Nu zijn kennis en innovatie landelijke prioriteiten en strategische politieke keuzen. De academie is motor voor toekomstige welvaart geworden. Bildungsidealen staan op een lager pitje, helaas. De gemiddelde burger van straks dient hoogopgeleid te zijn. De toeloop is enorm. Dit collegejaar staat een recordaantal van 253.482 studenten ingeschreven. In vergelijking met 2000 een stijging met 54 procent. Het ministerie verwacht dat zich de komende jaren zoveel extra studenten aanmelden, dat er vijf (nieuwe) middelgrote universiteiten mee gevuld kunnen worden. Een grote omslag dus.

Intussen zitten de colleges van bestuur financieel in de knel. 37 procent van het universitaire vloeroppervlak is verouderd, terwijl onderwijsgebouwen nauwelijks verhandelbaar blijken. De overheid trekt zich financieel terug. Per student besteedde het Rijk in 2000 19.600 euro. Vorig jaar was dat gedaald naar 14.300 euro. De totale investeringen in wetenschappelijk onderzoek zijn minder dan 2 procent van het bbp en dalende. Nederland scoort minder dan het EU-gemiddelde voor wetenschappelijk onderzoek en zal de Europese norm van 3 procent in 2020 niet halen.

Universiteiten zijn in toenemende mate afhankelijk van eigen inkomsten en private bronnen. De meerderheid van de promovendi wordt al buiten de overheid om betaald. Dat betekent dus ondernemen, opdrachten werven, prioriteiten stellen en inkomsten en uitgaven in evenwicht houden. Met als gevolg meer flexibele contracten, meer kortetermijnbeslissingen en snel inspelen op veranderende omstandigheden.

‘Den Haag’ stuurt op topsectoren, kansrijke vakgebieden die meer geld krijgen en tracht overigens versnippering tegen te gaan. Minder bevoorrechte faculteiten als die der Geesteswetenschappen krijgen de moeilijke opdracht ‘focus en massa’ te organiseren. Zij moeten de schaalvergroting zowel benutten, als zich daarbinnen willen onderscheiden. Dat geeft spanning. De greep naar de macht, annex ‘pas op de plaats’ die de studenten willen, is niet onbegrijpelijk. Het gaat ook allemaal vrij hard. Het College onderschatte hoe diep de onzekerheid zit. Maar lijkt nu met het plan een student in zijn midden op te nemen, toch een dialoog te hebben georganiseerd. De studenten mogen nu nadenken over het vervolg. Nee zeggen is makkelijk, een alternatief helpen verwezenlijken ingewikkelder. Hun engagement is hoe dan ook meer dan welkom, ook als hun eisen minder realistisch zijn.