Slechtvalken houden van logo’s

Het leven aan de top van verticale stad Rotterdam.

Foto Tessa smit

Sinds de zomer van 2014 is de gouden bal in het topje van de grotendeels leegstaande Shell-toren op het Hofplein één van de Rotterdamse hangouts van drie slechtvalken. Een forse roofvogel die oorspronkelijk komt uit de bergen. Twee mannetjes en een vrouwtje. „Het zijn echte zakenjongens”, zegt André de Baerdemaeker (35) stadsecoloog van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. „Logo’s vinden ze leuk.” Naast deze gouden bal: de oranje N op de toren van Nationale Nederlanden en de blauwe letters van het Erasmus MC.

Als ze er zitten zie je ze met het blote oog. Vandaag zitten ze er niet, maar op de stoep onder de Shell-toren vinden we tekens: een opgedroogd overblijfsel van een duivenlijkje. En een (levende) duif die argwanend omhoog kijkt. Want duiven zijn niet gek. Duiven eten patat-mayo en slechtvalken eten duiven, dat weten duiven ook.

Slechtvalk komt van ‘slechts valk’. Ooit waren deze valken heel normaal. In de vorige eeuw stierven ze bijna uit door DDT, een insecticide die hen onvruchtbaar maakte. Een dappere Duitse populatie bood weerstand, DDT werd verboden en sinds de jaren negentig zijn ze weer terug. Vanaf de topjes van onze gebouwen loeren ze over onze stad, op zoek naar nietsvermoedende vogels. Als ze een slachtoffer vinden, maken ze een duikvlucht, van 350 km/u. Het zijn de snelste dieren ter wereld.

Hoe oud ze worden, vraag ik. André: „Zes tot zeven jaar in het wild.” En dat is dan het mooie: met ‘wild’ bedoelt hij hier: tussen de uitlaatgassen, naast een tikkend stoplicht, onderaan een 95 meter hoge toren die door voormalig wethouder Hans Mentink ooit werd omschreven als de „laatste erectie van het grootkapitaal”.

„De stad is het speelveld van de mens”, zegt André, „maar we zullen de natuur nooit helemaal kunnen bedwingen. Als je weet hoe je moet kijken, dan vind je haar overal: tussen stoeptegels, in de goot of op een bovenste etage.” De stad wordt mooier als je dat weet. Als je beter kijkt naar wat dichtbij is, blijkt onze stad een wildernis. En onze gebouwen blijken bergen, van baksteen en beton.