Rijk worden? Beter koop je geen kunst

Schilderijen worden vaak genoemd als veilige investering. Onzin, zegt kunstmarktexpert en verzamelaar Adam Lindemann. De kunstmarkt is een van de grilligste die er is.

Nafea Faa Ipoipo van Paul Gauguin foto Martin P. Bühler / Kunstmuseum Basel

Adam Lindemann heeft spijt. Nog niet zo lang geleden vertelde de verzamelaar uit New York dat het kopen van hedendaagse kunst een verstandige investering is. Hij schreef er zelfs een boek over, Contemporary Collecting (2006), in vier talen uitgegeven door Taschen. Als autoriteit dook Lindemann op in kranten als The Wall Street Journal en The New York Times om telkens weer uit te leggen: wie zijn geld wil laten renderen, kan gerust kunst kopen. Er werden meer dan 100.000 exemplaren van zijn boek verkocht.

Maar Lindemann heeft zich bedacht. De centrale these uit zijn boek noemt hij nu „de grootste leugen van de kunstwereld”. Dat is opvallend, omdat juist in deze dagen de kunstmarkt zijn stelling lijkt te bevestigen. Het ene na het andere record wordt gebroken. Zo is naar verluidt begin deze maand het hoogste bedrag ooit voor een enkel schilderij betaald: 262 miljoen euro voor een Paul Gauguin uit 1892. Werken van kunstenaars als Gerhard Richter en Andy Warhol verkopen voor miljoenen meer dan zo’n twintig jaar geleden.

Een extreem grillige markt

Daar hebben mensen enorme winsten mee behaald. Jazeker, zegt Lindemann. Maar voor een solide beleggingsstrategie is het simpelweg te onvoorspelbaar welke kunstenaars de lucht in schieten en welke niet. „De markt is volledig afhankelijk van modegrillen: fads and fashions.”

Maar hoe is het dan mogelijk dat kunstadviseurs pronken met grafieken die een steile, stijgende lijn laten zien, met dollars langs de verticale as? Omdat kunst die geen koper vindt niet in de statistieken belandt.

Lindemann gaf in weekblad The New York Observer vorige week het voorbeeld van Christopher Wool. Nog maar een paar jaar geleden verkochten Wools schilderijen voor zo’n 20 miljoen euro. Dit najaar wilde niemand dat nog betalen. De Wools blijven daarom boven de bank hangen of in de lobby van een bankkantoor. De prijsdaling van zijn werk wordt niet verdisconteerd in de recordopbrengsten van de kunstmarkt.

Wool verdwijnt ook uit de indexen met de tweehonderd best verkochte kunstenaars. Een leek denkt dat het bij die indexen altijd om dezelfde kunstenaars gaat. Net als bij een index op een aandelenmarkt. Maar adviseurs nemen telkens weer de best verkochte kunstenaars. Wie plotseling (en onverwacht) niet meer verkoopt, wordt niet meer opgenomen. Met andere woorden: iedereen ziet de aandelenkoers van een bedrijf instorten, maar kunstenaars die uit de mode raken, verdwijnen van de radar.

Superrijken spelen op safe

Superrijken zijn natuurlijk niet dom. Zij zien dit ook. Dus concentreren zij zich op nagenoeg onbetaalbare kunst, als zo’n Gauguin, of een Warhol van 65,5 miljoen euro. Het risico dat deze kunstenaars uit de gratie raken, is verwaarloosbaar. Maar het rendement zal de komende jaren niet hoog zijn, maximaal 3 procent per jaar, weinig meer dan een spaarrekening uitkeert en veel te weinig voor een serieuze belegger. Lindemann: „Het is beter te erkennen dat we kunst kopen om andere redenen dan om geld te verdienen.”

Waarom beweerde hij dan iets anders? Om zichzelf te overtuigen dat de grote hoeveelheden kunst die hij kocht niet alleen zijn esthetische genot dienden, maar ook verstandige investeringen waren. Zegt hij nu. Intussen wacht hij „op de ontkrachting” van zijn „eigen onzin”. Dat laatste is niet helemaal fair, want als kunstmarktexpert kan hem niet zijn ontgaan dat een verslaggever van The Art Newspaper dat al heeft gedaan, in een vorig jaar verschenen boek met de titel: Art as an Investment? A Survey of Comparative Assets.

Het bezit levert niets op

De auteur, Melanie Gerlis, vergelijkt kunstinvesteringen met andere beleggingen en ziet, na serieus onderzoek, hoe een vergelijking met vastgoed en aandelen uitvalt in het nadeel van kunst. Onder meer omdat het bezit van kunst niets oplevert. Aandelen leveren dividend, huizen brengen huur op, opgekochte bedrijven maken winst. Maar kunst is vooral duur om te verzekeren en te beveiligen. Bovendien kent de kunstmarkt hoge ‘transactiekosten’; kopen en verkopen is duur, met hoge percentages voor veilinghuis of handelaar.

Voorts is er weinig marktinformatie om op te koersen, omdat zo veel in het geheim gaat. Sorry: in vertrouwen. De kunstmarkt is aan weinig regels onderworpen.

Een goede naam is geen garantie

En er is meer. Om één kwestie te noemen: anders dan bij goudstaven is het ene kunstwerk het andere niet, zelfs niet van dezelfde kunstenaar. Neem de duurste levende kunstenaar: Jeff Koons. In november ging een oranje ballonaap van roestvrij staal voor 25,9 miljoen dollar onder de hamer. Een vergelijkbaar werk van Koons, Maan (geel), vond geen koper. Zelfs niet voor het minimumbedrag van 12 miljoen euro.

Gerlis geeft wel een paar verklaringen voor dit soort ogenschijnlijk onvoorspelbare uitkomsten. Zoals de collectie waaruit een werk komt. Maar het kan evengoed het weer zijn geweest, beweert ze, of het ontbreken van strijd tussen bieders. Toen Gerlis een professionele investeerder eens over alle risico’s van het beleggen in kunst vertelde, concludeerde die dat tegenover zo veel onzekerheid ten minste een jaarrendement 50 procent moet staan.

50 procent. Dat komt voor. Maar alleen met die zeldzame kunstenaar die opeens doorbreekt, van niks naar alles. Met gevestigde kunst waar superrijken van houden is dat lastig. Neem Koons. 50 procent rendement betekent dat de oranje aap over vijf jaar 196,7 miljoen dollar opbrengt.

Dat lijkt onmogelijk. Maar ja, zoals Lindemann zegt: niets is onmogelijk op de kunstmarkt. Toch zegt nu ook hij: reken er niet op.