Literair engagement blijkt uit het boek, niet uit de krant

In zijn satirische roman Scoop uit 1938 neemt Evelyn Waugh zowel de krantenwereld als de Britse upperclass op de hak. Hoofdpersoon in dit meesterlijke boek is de flegmatieke William Boot, buitenlevencolumnist van The Daily Beast. Van de ene dag op de andere wordt hij als correspondent naar een opstandige Oost-Afrikaanse republiek gestuurd. Hij is slachtoffer van een persoonsverwisseling, want eigenlijk had reisschrijver John Courteney Boot naar Afrika moeten gaan. Maar de dictatoriale eigenaar van de krant, Lord Copper, had het over ‘Boot’ toen hij zijn dienstbevel uitvaardigde. En de onderdanige redactiechef, die nooit een boek las en dus het onderscheid tussen William en John niet wist te maken, koppelde die achternaam aan zijn natuurmedewerker William Boot.

Eenmaal in Afrika rent Boot niet achter zijn nieuwsgeile collega-correspondenten aan. Daardoor is hij de enige westerse verslaggever in de hoofdstad als er een staatsgreep wordt gepleegd en brengt hij als eerste het nieuws. Voor iedere aspirant-journalist is Scoop verplichte kost.

Aan Waugh moest ik denken toen ik afgelopen maandag in Nijmegen meesterboekhandelaar en schrijver Maarten Asscher de 22ste Kellendonklezing hoorde uitspreken. In die erudiete lezing, die als titel had Engagement, taal en verbeelding, behandelde hij vier categorieën van literair engagement. Tot de hoogste klasse rekende hij niet de schrijvers die in kranten hun mening over de actualiteit ten beste geven of straatrumoer in hun boeken laten doordringen, maar wel degenen die met hun werk een belangrijke ‘bijdrage aan de literatuur en daarmee aan het culturele wereldbeeld van een taalgebied’ leveren, of simpeler gezegd: schrijvers met een eigen geluid en een goed universeel verhaal. Als voorbeelden noemde hij onder anderen Zola, Orwell, Canetti, Dickens, Kafka, Primo Levi, Marguérite Yourcenar, en in eigen land W.F. Hermans en Karel van het Reve. Die laatste was een groot liefhebber van Waugh en had hem ongetwijfeld graag in het illustere rijtje van Asscher opgenomen gezien.

Zelf ben ik een groot fan van beide geëngageerde en nog immer actuele schrijvers. Van Waugh, omdat hij in Scoop de goedgelovigheid van nieuwsjagers aan de kaak stelt, van Van het Reve omdat hij je leert om helder te denken en nooit genoegen te nemen met wat autoriteiten en politici je voorschotelen. In deze dagen van wankelende democratie, politiek correct denken en de blindheid voor wat er in Rusland gebeurt, mis ik hun stemmen. Van het Reve’s radiocolumn ‘De PvdA in de 21ste eeuw’ (uit 1982), waarin hij over die partij zegt dat praten over de dingen er belangrijker wordt geacht dan de dingen zelf, had net zo goed gisteren geschreven kunnen zijn. En zijn essays over de Sovjet-Unie zouden veel Poetin-Versteher hun misvattingen doen inzien.