Geestige pastiche van Benali op het huidige, Nederlandse literaire wereldje

Twee wensen heeft de jonge schrijver Max Kader. Eén: zichzelf laten zien aan de wereld en zich daardoor laten gelden als schrijver. Twee: zich veilig voelen. Voor dat laatste heeft hij zijn zorgzame vriendin Claudia, én De essays van Michel de Montaigne. De Franse filosoof is voor Max een gids in het leven en een leermeester in het schrijven. Zijn boek is zijn bijbel.

De 24-jarige hoofdpersoon zelf is een late puber, en, zoals Abdelkader Benali in het eerste hoofdstuk schrijft, ‘de Opel onder de schrijvers’. Hij schrijft vooralsnog vooral omdat hij Montaigne zo bewondert en daardoor overtuigd is geraakt door de kracht en macht van het geschreven woord – niet omdat hij de wereld zelf iets te vertellen heeft. De twee familieromans die hij al publiceerde bleven nagenoeg onopgemerkt. De suggestie van Benali is dat dat niet helemaal onterecht is. Daarmee is Montaigne, een indiaan en de neus van Max Kader heel goed te lezen als een pastiche op het huidige literaire wereldje – met name het Nederlandse wereldje dat meer op zoek lijkt naar debutanten die een boek kunnen volpennen dan naar iemand die een ‘ander’ verhaal vertelt. Daar ageerde Benali vorig jaar al tegen, in een scherpe Facebookpost. Al die hoogopgeleide, grootstedelijke Nederlandse debutanten zijn hetzelfde, schreef hij, iedereen schrijft romans over schrijverslevens, ‘iedereen is ongelukkig, iedereen heeft geld, iedereen droomt van armoede, iedereen twijfelt aan zichzelf, iedereen heeft seks, iedereen zoekt liefde, iedereen heeft briljante a-logische redeneringen’.

Zo’n type lijkt Max Kader nog net niet te worden: alleen al omdat hij uit een volks milieu komt, waar op boeken neergekeken werd. Maar vooral omdat hij op zoek wil naar een ander verhaal – in het spoor van Montaigne. ‘Wat Max Kader verbaasde was niet dat Montaigne in zijn nieuwsgierigheid had geschreven over die eerste indianen, maar dat hij er zo gematigd en wijs over schreef.’

Verlangend om ver weg te zijn van zijn familie, en geïnspireerd door Montaignes essays (waarvan er een paar tamelijk briljante zijn opgenomen in Benali’s roman) gaat Max naar Montreal, om daar te schrijven aan een biografie van Montaigne – als gast in een schrijvershuis.

Dan stelt Benali even teleur, want hoe ver van huis ook, in zo’n veilige omgeving gaat Max dat andere verhaal natuurlijk nooit vinden – komen we als lezer dan een stap verder? Toch wel, want Benali werkte zijn behoorlijk geestige pastiche sterk uit. Het raakt aan de overdrijving uit de satire De joodse messias van Arnon Grunberg, een schrijver aan wie deze ironische oneliners en slapstick van Benali wel vaker herinneren. Maar waar onmatigheid die roman van Grunberg minder sterk maakte, is Benali snel en scherp. De weinig bedachtzame uitgeverswereld krijgt ervan langs, maar ook de lezers: een Canadese ‘indiaan’ die Max Kader opsnort om een lezingenpubliek toe te spreken, biedt feitelijk slechts een strohalm van het ‘andere’ verhaal, maar hij wordt als belangrijke messias onthaald. Om de literaire white man’s burden zo te typeren hebben we toch Benali nodig – met dank aan Montaigne.