Een soort schaapjes tellen

Als een prinses op de erwt lag ik te woelen in mijn stapelbed. Een hostel in Miami, Florida. In mijn kamer lagen acht lijven. Er waren geen ramen. Wel was er airconditioning waarover zoveel onenigheid ontstond – omdat er mensen waren die Celsius lazen en mensen die Fahrenheit begrepen, omdat er mensen uit het zuiden kwamen en reizigers die min twintig gewend waren – dat er voor de minst verhittende oplossing werd gekozen: de meerderheid besloot. Het noordelijk halfrond zette de fan aan.

Claudia uit Mexico lag rillend in haar bed. Ik had het idee dat zij in haar eentje meer onder de kou leed dan de meerderheid zich ooit had kunnen storen aan een beetje nachtzweet. Haar rillen verbeeldde het mankement van democratische besluitvorming: persoonlijke ervaringen laten zich niet vergelijken.

Slapen lukte nauwelijks, omdat er losgeschoten veren in mijn matras zaten. Ik moest denken aan de antidaklozenspikes die gemeenten en bedrijven op straat monteren. Deze stalen punten moeten van de stoep een spijkerbed maken. Slapen op straat moet zo worden uitgebannen. Op zich een nobel streven, ware het niet dat het probleem niet wordt aangepakt, maar verhuisd.

Een ex-dakloze schreef vorige week in The Guardian dat steden steeds feller worden in hun ‘defensieve architectuur’. Hij beschreef hoe pijnlijk en persoonlijk het voelt wanneer dat ene comfortabele bankje dat buiten voor de warme luchtkoker van een wasserette staat, wordt weggehaald of wordt vervangen door een ‘defensief’ bankje, bijvoorbeeld met leuningen.

Ik draaide op mijn zij om een zo min mogelijk geprikte positie te vinden. Eigenlijk is het corrupt hoe weinig ervoor nodig is om even aan het lijden van een ander te denken. Alsof het een soort schaapjes tellen is. Dat soort snelle empathie weerhoudt je ervan om je werkelijk te committeren aan wat een ander moet doorstaan.

Onlangs hoorde ik van een man die uit Marokko naar Nederland was gekomen en twee weken op Amsterdam Centraal sliep. Overdag deed hij alsof hij als schoonmaker werkte, om vragen te voorkomen. Toen hij verdween merkte niemand dat het rommeliger was.

De volgende dag arriveerde in het hostel een negende leven: David. Hij was uit Peru gekomen om een baan te zoeken. Direct bij aankomst waren zijn creditcard en telefoon gestolen. Hij duwde een kussen tegen zijn ogen en wreef rondjes over zijn buik. Het kussen diende tegen de stress, de rondjes tegen de buikpijn.

Op bed zat een vertegenwoordiger van een veelgehoord, maar vaak abstract wereldprobleem – Latijns-Amerikaans, werkzoekend, een ongeruste familie achterlatend.

Ik zette kopjes thee en wreef zelfs mee over mijn buik, een paar rondjes, als een partner die meepuft met de bevalling.

Maar al gauw viel ik in slaap tussen de veren.

De volgende ochtend was David al weg. Weer had een probleem zonder creditcard zich verplaatst.