Een kunstvervalser die zichzelf vervalst

Na dertig jaar duikt zomaar een nooit gepubliceerde jeugdroman van de Franse schrijver op. Over een kunstvervalser en zijn desillusies. Over de puzzel van de schilderkunst die tot literair puzzelen noopt.

Farinata degli Uberti, 13de-eeuwse Florentijnse edelman op een fresco van Andrea del Castagno Foto Luisa Ricciarini/Leemage

Gaspard Winckler is opgeleid als kunstrestaurateur, maar verdient zijn geld als vervalser. De werkwijze is als volgt: wanneer Madera, een makelaar in vervalste kunst, via zijn informanten hoort dat een rijke verzamelaar iets zoekt, een Botticelli of Fra Angelico, doet hij een bestelling bij Winckler, die zich met zijn schildertalent en technische expertise terugtrekt in een ondergronds atelier. Een half jaar later wordt dan in een verlaten kasteel of klooster een Botticelli of een Fra Angelico ontdekt. Wincklers succes berust voor een groot deel op de kunst van het prepareren van doeken en panelen, het gebruik van de juiste penselen, oliën en vernissen, en het aanbrengen van artificiële craquelures.

Na ruim honderd geslaagde vervalsingen in twaalf jaar tijd krijgt Winckler opdracht een portret op paneel te schilderen, te dateren tussen 1450 en 1500 – beoogde opbrengst honderdvijftig miljoen dollar. Winckler besluit een Antonello da Messina te vervaardigen en baseert zich op diens beroemde Portret van een man, ook genoemd De Condottiere, dat in het Louvre hangt. De man, aanvoerder van een huurlingenleger, oogt uiterst zelfverzekerd, en de sobere, donkere opzet van het werk (eerder Vlaams dan Italiaans) vergroot zijn krachtige uitstraling. Opvallend detail is de spanning van zijn kaakspieren – met deze kerel wil je geen ruzie krijgen.

Winckler wil ditmaal meer van zichzelf in zijn vervalsing leggen: ‘zelf op basis van de Condottiere nog een Condottiere maken, anders, maar van hetzelfde niveau.’ In deze opzet faalt hij jammerlijk: zijn krijgsheer is een ‘schijtlaars’ geworden waarin Winckler ‘de twijfelachtige ontreddering van zijn eigen blik’ terugvindt. ‘De onverstoorbaarheid was paniek geworden, de rustige spanning van de gelaatsspieren een vertrokken grijns [...]’ Hij heeft een kunstvervalser in renaissancepak geschilderd.

Nadat de gefrustreerde Winckler in een impuls zijn opdrachtgever Madera heeft vermoord, vlucht hij via een onderaardse gang zijn atelier uit. Hij verschuilt zich bij een vriend, aan wie hij vertelt over zijn misdrijf en schimmige loopbaan.

Geweigerd

Dat is het verhaal dat Georges Perec (1936-1982) in De Condottiere vertelt. De korte roman is een jeugdwerk dat in 1960 door Gallimard geweigerd werd en pas in 2012 bij Seuil verscheen. Lezers van Perecs zonderlinge oeuvre kennen de naam Gaspard Winckler uit W of de jeugdherinnering en Het leven een gebruiksaanwijzing. Ook het thema van kopiëren, pasticheren en vervalsen keert dikwijls terug bij Perec, een schrijver die graag citeerde, met en zonder bronvermelding.

In tegenstelling tot het latere werk stelt deze jeugdroman imitatie uitsluitend als iets negatiefs voor. Terugblikkend beschouwt Winckler alles wat hij incognito geproduceerd heeft als onecht en doods. Een succesvolle vervalsersloopbaan blijkt een verknoeid leven. Die meer dan honderd schilderijen vormen ‘een museum zonder hart en zonder ziel’. Zich steeds weer inlevend in andere beroemde schilders ‘leefde hij met de doden’ (vandaar dat ondergrondse atelier).

Eindeloze maskerade

In een poging zijn opgekropte woede tegenover zijn vriend te verklaren zegt hij dat een vervalser na zo’n eindeloze maskerade geen eigen identiteit meer heeft. ‘Je moet het begrijpen. Ik bestond niet. Gaspard Winckler, dat betekende niets.’ Je kunt je echter ook afvragen of hij niet vervalser is geworden juíst omdat hij nooit een autonome persoonlijkheid ontwikkeld heeft.

Uit het ontwijkende antwoord dat hij geeft wanneer zijn vriend hem naar zijn ouders vraagt, valt op te maken dat het contact met hen al in zijn kindertijd verbroken is – het zijn maar een paar regels, waar je gemakkelijk overheen zou lezen als je niet bekend was met het zwarte gat in leven en werk van Perec, het verdwijnen van zijn joodse ouders in de Tweede Wereldoorlog.

Het ontbreken van een identiteit en een eigen verleden waarover Winckler klaagt, en zijn ‘leven met de doden’ krijgt zo een andere betekenis. (Zonder biografische sleutel is het werk van Perec nu eenmaal moeilijk te duiden.) In dit licht valt de ongemotiveerde moord op Madera psychoanalytisch te interpreteren: ouders heb je om je aan te hechten, maar ook om je tegen af te zetten, en door zijn opdrachtgever te doden is Winckler – te laat en te agressief – tegen een vaderfiguur in opstand gekomen. Thematisch is De Condottiere dus een echte Perec, zij het in negatief. Het is een roman over de puzzel van de schilderkunst die tot literair puzzelen noopt, met uiteraard een ontbrekend stukje – Perec ten voeten uit. Want de humor blijft achter bij het volwassen oeuvre. Is dit wel een authentieke Perec? Een nooit gepubliceerd werk dat dertig jaar na de dood van de auteur in de boekhandels opduikt? Gaspard Winckler had het kunnen bedenken.