De literatuur was in feite secundair

Ging het eerste deel van zijn biografie over de wording van zijn schrijverschap, het tweede deel belicht de intriges, conflicten, successen en tegenslagen van een eenzame somberman.

Illustratie Paul van de Steen

Willem Frederik Hermans hield van snelle, sportieve auto's, maar een paar van zijn eigen auto's reed hij in de prak. Het begon al in 1948 met een aanrijding in Canada, toen hij nog geen rijbewijs had. Jaren later, in 1964, schafte hij zich van de opbrengst van De donkere kamer van Damokles een Austin-Healey aan, waarmee hij nog geen half jaar later over de kop sloeg. Met de opvolger, een Morgan, knalde hij in Joegoslavië tegen een natuurstenen muur aan de kant van de weg.

Misschien was het gewoon pech, misschien kwam het ook door zijn rijstijl. Iemand zei daarover: ‘Hij zat als een zeer opgefokte, gestreste idioot achter het stuur, de schouders helemaal opgetrokken en zijn tong tussen zijn tanden. Hij kon zich niet rustig in het verkeer voortbewegen. Zijn lichaamscoördinatie liet nogal te wensen over, hij was in één woord een stijve hark’.

Hermans, voor wie de techniek in een chaotisch universum een van de zeldzame tekenen van progressie was, kon dus niet rijden. Dat lijkt perfect te passen bij de titel van het eerste deel van Willem Otterspeers Hermans-biografie: De mislukkingskunstenaar, maar het relaas over Hermans en zijn auto’s staat in het nu verschenen tweede deel: De zanger van de wrok, dat de jaren 1953-1995 bestrijkt.

Beide titels vullen elkaar aan. Toen twee jaar geleden deel I verscheen, verbaasden sommigen zich over de titel. Hermans gold toch als een van de beste schrijvers die Nederland ooit gekend heeft. Dus waar zat de mislukking?

Op deze vraag geeft de biografie het antwoord: Hermans zag zichzelf vaak als een mislukking, als iemand die nooit eens onbekommerd een succesje kon behalen. Altijd viel er een schaduw over, die alles verpestte. Naar aanleiding van de P.C. Hooftprijs die hij in 1972 weigerde vanwege een tikfout (fl. 18.000 in plaats van fl. 8.000) in de brief die hem het goede nieuws meldde, schreef hij: ‘Tot mijn laatste snik zal herrie mij begeleiden, hoe gevierd en erkend ik ook zal zijn’.

Groningse universiteit

Hij koesterde toen zelfs plannen om zich voortaan nog alleen aan de wetenschap te wijden en de literatuur na een laatste roman (Het evangelie van O. Dapper Dapper) vaarwel te zeggen. In werkelijkheid gebeurde het omgekeerde: met opnieuw veel herrie – in de vorm van studentenprotest en Kamervragen – verliet Hermans de Groningse universiteit, waar hij sinds de jaren vijftig fysische geografie doceerde, om zich in Parijs te vestigen als schrijver.

Maar hij was ook de kunstenaar van de mislukking, dat wil zeggen: van zijn mislukkingen, die bij hem een kosmische allure krijgen, wist hij als geen ander kunst te maken. Daar ligt de relatie met de titel van het tweede deel van Otterpeers biografie: die kunst was altijd ook een vorm van wraakneming, Hermans’ manier om de ontgoocheling te verwerken die het leven hem keer op keer bereidde. Wraak, wrok, rancune, ressentiment – in Hermans' literaire universum zijn dit vertrouwde zaken, ze vormen als het ware de motor van zijn schrijven. Otterspeer trekt een vergelijking met de wrok van Achilles, waardoor Hermans in een eerbiedwaardige klassieke traditie komt te staan en de wraakzucht alle bekrompenheid verliest.

Hermans’ wrok heeft alles te maken met de onvolmaaktheid van de wereld, al keerde hij zich in de praktijk vaak tegen de illusies – van religieuze of politieke aard – die de fundamentele onvolmaaktheid aan het oog proberen te onttrekken. Voor Otterspeer zit in deze ‘nietsontziende eerlijkheid’ de grootste attractie van Hermans’ werk. Het kost geen moeite om hem gelijk te geven.

In prachtige beelden wist Hermans de wrede, meedogenloze werkelijkheid te vangen die overbleef nadat alle illusies waren verdampt. Bijvoorbeeld in deze beschrijving van een cheetah, gezien in Kenia, die zijn prooi verscheurt: ‘Telkens na een reep helderrood vlees te hebben losgescheurd uit het pas gedode aandoenlijke slachtoffer, richt het, net als een huiskat die zich in het bezit gesteld heeft van de gehaktbal, zijn kop op, kijkt links, kijkt rechts en speurt naar onraad. Een verschrikkelijke boosheid, een onverzoenlijke haat is hem door de Schepper aller wezens rond de diepliggende driehoekige ogen geschilderd. Een wantrouwen dat niet het recht heeft ooit in te slapen. Een verdriet dat schijnt vooruit te lopen op een mogelijke nederlaag: de haat tegen de even wrede jager als hijzelf is, maar groter en machtiger dan hij’.

Otterspeers commentaar: ‘Dit is het paradijs in Hermans’ levensvorm, dit is zijn identificatie met de schepping’.

Het uitgangspunt van de biografie is het ‘verband tussen de schrijver en zijn werk’ zichtbaar te maken. Otterspeer slaagt er goed in de betekenis van het schrijven voor Hermans duidelijk te maken, opnieuw met behulp van talloze citaten uit brieven en dagboeken. Schrijven was zijn ultieme therapie, als schrijver was Hermans zijn eigen psychiater. Want ook al noemt de biograaf het niet zo, als je leest over Hermans’ ‘bevliegingen’, zijn sombere buien, zijn eindeloze gepieker en zijn op den duur volstrekt imaginaire geldzorgen, dringt zich de vraag op of hij niet leed aan de een of andere vorm van manische depressiviteit. Naast het schrijven, zijn enige duurzame ‘bevlieging’, zocht hij soelaas in reizen, lekker eten en drinken, zijn liefde voor katten of zijn schrijfmachineverzameling waar altijd wel wat aan te prutsen of te herstellen viel.

Het verband tussen werk en leven komt vanzelfsprekend ook naar voren in de uitvoerige behandeling van de gebeurtenissen die terugkeren in de romans, zoals de bezoeken aan Noorwegen die hun weerslag hebben gevonden in Nooit meer slapen. Hoeveel werkelijkheid in de fictie doordrong, blijkt tot in de details, getuige het jonge meisje Inger Marie dat de hoofdpersoon Alfred Issendorf bij een bushalte ziet staan en dat vele jaren later via een Noorse vriend van Hermans contact opneemt met de auteur die haar zo nauwgezet heeft beschreven. Ook de Groninger affaire, die terugkeert in romans als Onder professoren, Uit talloos veel miljoenen en Ruisend gruis, komt royaal aan bod, evenals de achtergrond van de polemieken in Mandarijnen op zwavelzuur.

Ongelukken

In het eerste deel van de biografie ging het om de wording van Hermans’ schrijverschap, in deel II beschrijft Otterspeer hoe dat schrijverschap zich heeft ontwikkeld, met alle intriges, conflicten, successen en tegenslagen die het begeleidden. De ongelukken beperkten zich niet tot de auto’s, in Hermans’ leven loopt ook een spoor van verbroken vriendschappen. Adriaan Morriën, Geert van Oorschot, Gerard Kornelis van het Reve, Rudy Kousbroek, Guust Gils, Oey Tjeng Sit, Frans Janssen – op zeker moment werd hun de vriendschap opgezegd. Omdat ze het niet met Hermans eens waren, bijvoorbeeld in de zaak Weinreb (Kousbroek), of omdat ze zich niet exclusief aan hem dienstbaar wensten te maken (Janssen). Geen wonder dat Otterspeer de nadruk legt op Hermans’ toenemende eenzaamheid, na het vertrek van Amsterdam naar Groningen en vooral na de verhuizing naar Parijs.

Aan de ene kant was Parijs de vervulling van een levenslang gekoesterde droom, aan de andere kant bleef hij er altijd een ‘toerist’, zoals Otterspeer schrijft. Franse schrijvers leerde hij niet kennen, het contact met Frankrijk beperkte zich tot restaurants en rommelmarkten. Iets maar niet veel anders was het in Brussel, waarnaar hij in november 1991 verhuisde. Otterspeer laat er geen twijfel over bestaan waar Hermans’ eenzaamheid aan te wijten was: aan zijn egocentrisme. In de wereld van Hermans draaide alles in de eerste plaats om Hermans. Otterspeer: ‘Er was op de wereld maar één mens voor wie Hermans uiteindelijk belangstelling kon opbrengen en dat was hij zelf’.

Meer schrijvers hebben daar last van, maar bij Hermans werd het steeds erger, krijg je de indruk, al zullen de paar vrienden die het tot het eind volhielden (Raymond Benders, Freddy de Vree) daar ongetwijfeld anders over denken. Otterspeer constateert ook een verminderde ‘zelfkritiek’, iets wat hij relateert aan de eclatante overwinning die Hermans behaalde in de Weinreb-affaire.

Sindsdien zou hij echt zijn gaan geloven dat hij altijd gelijk had. Ook het werk leed daaronder. Viel in het eerste deel geen onvertogen woord wat dit betreft, ditmaal worden romans als Herinneringen van een engelbewaarder (‘literaire gemakzucht’), Het evangelie van O. Dapper Dapper (‘vermoeide satire’) en Uit talloos veel miljoenen (‘een van zijn minste boeken’) aan een verrassend strenge behandeling onderworpen.

Ruzies

Nu moet je een schrijver altijd op zijn beste werk beoordelen, dus het is niet zo dat deze kritiek serieus afbreuk doet aan Hermans’ statuur als een van onze beste schrijvers. Wel lijkt er een connectie met de biografie, die wat minder boeiend wordt naarmate het einde dichterbij komt. Hermans maakt niet meer zoveel mee, het relaas krijgt iets eentonigs. De aanvallen van neerslachtigheid, de talloze reisjes, de ruzies om geld met de kranten en bladen waaraan hij meewerkte, het eeuwige gescheld op Nederland, de jaloezie op collega’s als Mulisch die meer succes hadden in het buitenland – op den duur geloof je het wel. De woede en het polemische geweld zijn er nog wel, maar een waardig object ontbreekt.

Daar weet ook Otterspeer niet veel meer van te maken – totdat hij in het op een na laatste hoofdstuk inzoomt op de eenzame Hermans, die ’s nachts in zijn Brusselse woning zijn voorbije fiasco’s overpeinst. Daartoe rekende hij onder meer: ‘vrouwen, tekenen, piano spelen, studeren, geologie, Frans.’ Met als aantekening van de biograaf dat met het laatste waarschijnlijk niet de verbroken vriendschap met Frans Janssen, maar de in eigen ogen onvolmaakte beheersing van de taal zal zijn bedoeld.

Nog wonderlijker zijn Hermans’ overpeinzingen over zijn matige prestaties, getuige de eindexamencijfers, in de exacte vakken. Hermans stelt vast dat er tussen hem en deze vakken altijd een ‘ongelukkige liefde’ heeft bestaan. Hij hield er wel van, maar was er niet goed genoeg in. Daaraan verbindt hij een volgens Otterspeer ‘verbijsterende’ conclusie: ‘Literaire ambitie ontstond pas toen ik besefte dat je over dingen waarin je niet slaagde toch wel verhalen kon schrijven.’ De literatuur was dus in feite secundair. Maar zij was ook het enige middel om alsnog van de mislukking een triomf te maken – zonder dat de nachtelijke tobber daar op dat moment veel plezier aan lijkt te beleven, gezien de louter negatieve benadering.

Misschien blijft dit nog wel het meest fascinerende en intrigerende aan de persoon Hermans: de wonderlijke luciditeit van zijn zelfkwellerij, de onnavolgbare combinatie van inzicht en sadomasochisme, die zich in zijn literaire werk van het privédomein uitbreidt tot het geheel van de wereld. Dat parcours welsprekend in kaart te hebben gebracht lijkt me niet de geringste verdienste van deze biografie.