British, beschaafd, beleefd en dodelijk

Aan de hand van onbekende bandopnames met Kim Philby belicht schrijver en historicus Ben Macintyre hoe deze legendarische dubbelspion zijn echtgenotes, vrienden en collega's meedogenloos heeft verraden.

Kim Philby in Londen, ca. 1955 Foto Bentley Archive/Popperfoto/Getty Images)

Over de Britse spion Kim Philby en zijn vier makkers, verenigd in de zogenoemde Cambridge Five, is zo onderhand alles gezegd en geschreven sinds de aard en omvang van hun verraad in de jaren tachtig bekend werd, zou je denken.

In 1988 gaf Philby, de grootste verrader van de groep, zijn eerste interview aan Philip Knightley van The Sunday Times in zijn flat in Moskou. ‘Welkom Kim Philby’ had de Sovjetkrant Izvestia vijfentwintig jaar eerder gekopt bij zijn aankomst in de Russische hoofdstad, nadat hij was ontsnapt uit Beiroet waar de Britten op het punt stonden hem te arresteren.

Knightley ontmoette in Moskou een persistente aanhanger van de communistische heilstaat die geen enkel berouw had. Philby toonde zich onbekommerd over de honderden landslieden die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog door zijn verraad de dood in waren gestuurd. In Moskou was hij min of meer gelukkig met zijn Russische (derde) echtgenote, zijn Sovjetmedailles en zijn staatspensioen. Hij miste alleen zijn marmelade en The Times.

Een golf van nieuwe spionnenonthullingen volgde: Sir Anthony Blunt, kunsthistorisch adviseur van koningin Elisabeth, bleek een van de vijf en werd te schande gemaakt. Spycatcher, een boek van de naar Australië uitgeweken, ex-MI5 topman Peter Wright, kreeg een publicatieverbod in Groot-Brittannië en werd onderwerp van een notoire rechtszaak.

Bandopname

De Times-journalist Ben is er in geslaagd met Een spion onder vrienden toch nog iets nieuws toe te voegen aan het onderwerp. Hij gaat niet alleen in detail op Philby’s landverraad in, maar belicht vooral de manier waarop hij zijn echtgenotes, vrienden en collega’s verried. Dat Macintyre één geval tot in de finesses kon beschrijven dankt hij aan een tot nu toe onbekende bandopname van het laatste gesprek tussen Philby en Nicholas Elliott, zijn oudste vriend en ex-collega van MI6 (buitenlandse veiligheidsdienst). Elliott heeft Philby altijd bewonderd en ook, in niet-erotische zin, van hem gehouden. Toen er in de jaren vijftig voor het eerst verdenkingen tegen Philby rezen, was Elliott degene die voor hem opkwam, hem financieel uit de nesten haalde en hem aan een baantje hielp.

Macintyres beschrijving van het moment waarop Elliott zijn levenslange hartsvriend confronteert met de wetenschap dat hij diens dubbelrol eindelijk door heeft, staat in het cruciale hoofdstuk tegen het einde van het boek. De schrijver geeft het de titel ‘Theetijd’, en inderdaad, Engelser kan de conversatie niet zijn.

Die ontmoeting heeft plaats in 1963, in Beiroet, waar Philby als correspondent voor The Observer en The Economist (Elliott heeft die baan voor hem geregeld) de Sovjet-Unie is blijven dienen. Elliott heeft maar één doel: Philby tot de bekentenis dwingen dat hij tot 1949 (het jaar waarin hij op de Britse ambassade in Washington ging werken en dikke maatjes werd met de hem bewonderende CIA-topman James Angleton) voor de Sovjets heeft gespioneerd. Naïeve gedachte: met die omschrijving ‘tot 1949’ zouden de Britten de bekentenis ‘binnenskamers’ kunnen afhandelen en de Amerikanen niets hoeven vertellen.

Thee

De bandopname is ‘een spektakel van brute Engelse beleefdheid, beschaafd en dodelijk’, meent Macintyre. Philby, die vermoedt dat hij erbij is en zich al maanden onder te tafel drinkt, doet de deur open, ziet zijn oudste vriend en zegt: ‘Ik dacht al dat jij het zou zijn’. Een secretaresse schenkt thee in en maakt zich uit de voeten. Elliott vraagt Philby hoe het is met zijn gezondheid, Philby vraagt naar Elliotts vrouw en kinderen. ‘Voortreffelijke thee!’

‘Als je het niet erg vindt, kom ik meteen ter zake’, zegt Elliott. Pauze. ‘Helaas is het niet erg plezierig’. Weer een pauze. ‘Ik ben hier om je te vertellen dat je verleden je heeft ingehaald.’

Eén keer verliest Elliott zijn kalmte in het volgende gesprek, waarin Philby alles ontkent: ‘Mijn God, wat veracht ik je nu. Ik hoop dat je genoeg fatsoen over hebt om in te zien waarom!’ Dan volgt de deal: als Philby alles toegeeft, zal hij niet worden vervolgd. Maar dan moet hij ook echt alles vertellen: elk contact met de Sovjets, elke andere mol … ‘Dit is een reddingsboei die ik je toewerp, Kim.’ Einde gesprek. ‘Kim is gebroken,’ meldt Elliott aan zijn superieuren.

Enkele dagen later staat Philby op het achterdek van een Russisch vrachtschip, uit Beiroet gesmokkeld door zijn Russische contactpersoon. Macintyre speculeert dat het de Britse overheid niet uitkwam wanneer Philby naar Londen zou terugkeren en dat hij daarom onbewaakt is achtergelaten na Elliotts vertrek.

John Le Carré zegt in een nawoord bij Macintyres boek dat Philby anderen bedroog, maar Elliott – die later beweerde dat hij Philby al langer doorhad – zichzelf. Le Carré, die Elliott goed kende, beweert dat hij zich heeft afgevraagd af of hij over hen zou schrijven, ‘maar ik had dat terrein al verkend in Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1974)’. Le Carré beperkt zich nu tot de woorden: ‘De Nick & Kim Show: een spektakel voor twee spelers over twintig jaar wederzijdse affectie en allesverzengend, genadeloos verraad.’