Afscheid van lichamelijkheid

In zijn nieuwe, niet al te vrolijke novelle, worden veel ideeën op de lezer losgelaten. Zoveel dat je je afvraagt of Grunberg deze keer niet meer met zijn lezers bezig was dan met het verhaal.

Grunberg getest tijdens het schrijven vanHet bestand. Sebastiano Tomada/Getty Images

‘Medelijden is een ander woord voor opgeven, voor defaitisme; waar het medelijden begint, daar begint ook de nederlaag.’ Het is een van de vele wijsheden in de deze week verschenen novelle Het bestand van Arnon Grunberg. Ferme uitspraken, of noem ze aforismen, zijn een handelskenmerk van Grunberg. Ze zetten je als lezer aan het denken en plaatsen de roman vaak op een hoger niveau. De vraag is alleen wanneer je overvoerd raakt van dergelijke stelligheden.

Waarschijnlijk niet zo snel. Deze week kwamen immers de eerste testresultaten binnen van lezers van wie de hartslag, de vingervochtigheid, de ademhaling en de algehele gesteldheid was gemeten tijdens het lezen van Het bestand. Het was een initiatief van de UvA om wetenschappelijk te onderzoeken welke emoties de lezer heeft wanneer hij of zij een roman leest. Een leuk idee, dat vooral geen vervolg moet krijgen, omdat het meten van onmiddellijk effect uiteindelijk nooit goed kan zijn voor de literatuur. Goeie romans ‘dalen’ vaak pas na enkele weken in, plotgerichte boeken met veel gruwelijke of liefdesscènes zijn daarentegen wel direct meetbaar. De kans bestaat bovendien dat een schrijver een ander boek schrijft wanneer hij weet dat de effecten bij een lezer straks worden gemeten en geopenbaard. Een recensie in de vorm van een tabelletje waarin de hartslag wordt bijgehouden?

Echt verrassend zijn de eerste meetresultaten overigens niet. Zo bleek bijvoorbeeld dat lezers meer walging, minachting en boosheid ervaren nadat ze Het bestand hebben gelezen dan daarvoor. Van algehele tevredenheid of blijheid was geen sprake; dit tot grote tevredenheid van Arnon Grunberg zelf, liet hij op Radio 1 weten. Terecht ook: een schrijver streeft zelden naar lezers die als een blije geit het boek dichtslaan. Waarom dat eigenlijk zo is, dat is een andere kwestie.

Terug naar Het bestand: waardoor ontstaan die minachting, walging, etc.? Worden die door het verhaal zelf veroorzaakt of komen ze door die aforismen (om er nog een te citeren: ‘Als beelden de hel zijn, dan is hoofdrekenen het paradijs’) of door het wereldbeeld dat Grunberg de lezer voorhoudt? Dat is namelijk niet vrolijk. In Het bestand wordt het verhaal verteld van Lilian, een vegetarisch meisje dat bij haar ouders op een zolderkamer woont. Behalve schoolgaan, doet ze niets anders dan achter de computer paprikachips en winegums eten.

Jezus als virus

Lilian is computerexpert en weet samen met wat vrienden de facebookpagina van een pedofiel te hacken, zodat alle vrienden van deze man – die vlak daarvoor zijn zogenoemde ‘stier’ voor de webcam heeft getoond aan Lilian – en zijn werkgever de indecente foto te zien krijgen. Behalve de foto van zijn penis (die volgens Lilian hoognodig naar de veearts moet omdat het een zielig stiertje is), inclusief het ‘pedofielengesprek’ dat deze man vlak daarvoor voerde.

Enkele dagen later schrijft een lokale krant dat de man zelfmoord heeft gepleegd. Het bericht doet weinig bij Lilian en haar vrienden, het brengt slechts een gevoel van macht teweeg. Vanaf het moment dat Lilian een wraakengel is, bedenkt ze dat de mens maar beter zo snel mogelijk afscheid kan nemen van het lichaam omdat dit het verstand in de weg zit, en dat de lichamelijkheid dan kan verdwijnen in een digitaal niemandsland. Met zo’n meisje kan het niet goed aflopen, maar de wonderen zijn de wereld nog niet uit. Op instigatie van een online vriend besluit Lilian dat ze vlak nadat haar vader is overleden (ook iets dat met weinig emoties gepaard gaat,want Lilian is niet alleen vegetariër maar ook allergisch voor mensen) dat ze gaat solliciteren bij een bedrijf dat in computersystemen infiltreert om die zo te verdedigen. En dan wordt ze ook nog verliefd, ondanks haar allergie voor mensen.

Behalve dat duidelijk wordt dat je niets ongezien kan doen, dat iedereen kan inbreken bij de ander, dat we in feite genocide plegen op dieren door beesten te fokken om ze te eten en dat de mens moet streven naar lichaamloosheid, is er nog meer. Zo zijn er ook de autistische nerds bij het bedrijf. De een ontaardt in een paranoïde gek (de man vermoordt zijn katten omdat hij zeker weet dat hij wordt afgeluisterd), de ander heeft het idee dat hij de nieuwe Christus is. Jezus is namelijk teruggekomen als ‘malware, als worm, als het meest ingenieuze computervirus dat ooit heeft bestaan.’ Immers: ‘als je de Bijbel goed leest, als je de Openbaringen bestudeert, dan kun je eigenlijk al lezen dat Christus zal terugkeren als een bestand, een computervirus, dat de enige en de echte terugkeer van Christus toen al zo was voorzien.’ Wie zulke redenaties doortrekt, vermoedt dat Grunberg de kruistochten van weleer hier wil omzetten in cyberoorlogen om te tonen dat er in feite weinig nieuws onder de zon is.

Hulpverlener

Het bestand is geen vrolijk makende novelle, maar blij word je nooit van Grunbergs boeken, en dat is dus ook geen diskwalificatie. Zijn boeken zijn namelijk meestal absurd, intelligent en sterk. Helaas gaat dat niet helemaal op voor Het bestand. Hierin worden teveel ideeën op de lezer losgelaten zonder dat de consequenties ervan worden uitgewerkt (een pedofiel zelfmoord laten plegen terwijl je zeventien bent, het zou een verhaal apart kunnen zijn). Misschien omdat Grunberg met het oog op de lezer te veel taboes en ongemakkelijke ‘waarheden’ tegelijk over de lezer wilde uitstrooien en die kort houdt door ze soms samen te vatten in een aforisme, zoals hij dat ook vaak doet in zijn dagelijkse ‘Voetnoot’ in de Volkskrant. Grunberg – die dit boek schreef terwijl ook zijn eigen hersenactiviteit werd gemeten – was waarschijnlijk wel heel erg nadrukkelijk bezig met het effect. Het zou verklaren waarom op bijna elke bladzijde zinnen staan als: ‘Als je de mensen intens verachtte en diep haatte, om God mag weten wat voor reden, dan werd je hulpverlener’; ‘[Mensen] geloven in continuïteit, maar continuïteit is een illusie’; ‘Staren is koeioneren’. Het zou ook verklaren waarom Grunberg deze keer zijn uitweg zoekt in extreme personages waaraan psychisch zoveel mankeert dat je als lezer op den duur niet meer geïnteresseerd bent. En ook waarom hij extreme scènes verwerkt, zoals het vermoorden van katten, die eerder allemaal menselijke karaktertrekken toebedeeld kregen of de sneue seksscènes voor de webcam. Het verhaal is té doordacht om echt te boeien, te zeer gericht op het bereiken van effect bij de lezer.

Grunberg is niet iemand die slechte boeken kan schrijven, maar het is te hopen dat bij zijn volgende boek het weer om de roman als geheel gaat in plaats van het neerzetten van scènes waardoor de hersenactiviteit bij zijn lezers uitslaat.