Wilt u wat zachter lachen?

De film Turist van de Zweedse regisseur Ruben Östlund was ons van alle kanten aangeraden. En zo kwam het dat we ons terugvonden in een filmhuis waar ze zich voor de nog gesloten deur van het zaaltje op de eerste verdieping met een stuk of dertien alvast heel erg stonden te verkneukelen op het menselijk tekort, dat door de kwaliteitskranten unaniem was geprezen.

„We mogen nog niet naar binnen”, werd er gezegd, „de controle is er nog niet.”

Zoiets hoorde ik in een gewone bioscoop nooit.

Ik was de verkeerde persoon op de verkeerde plaats, want ik was niet in de stemming. Ik besefte opeens dat ik door al die films en televisieseries een wat scheef beeld van Scandinaviërs heb. Ik denk de hele tijd dat ze van alles dwars zit en dat ze daar dan over willen praten wat vanwege de altijd aanwezige dubbele laag wat moeizaam gaat. En verder zijn de filmmakers er nogal traag. Als de hoofdpersonen aan tafel zitten om te eten, beginnen ze met een close-up van de kom met sla. Je eet echt mee met het gezin en daarvoor moet je in de stemming zijn.

Dat was ik die avond niet.

Ik lag daar maar ongemakkelijk te woelen in mijn stoel en vond mezelf opeens ook een ideaal personage voor in een Scandinavische film. Vooral omdat ik me ontzettend onuitgesproken zat te ergeren aan al die genietende filmhuismensen om me heen.

Aan de zachte kreuntjes waarmee ze aan elkaar lieten blijken dat ze iets herkenden in een dialoog. Aan het onbedaarlijke gelach van een mevrouw op de eerste rij. Aan het iets te hard ‘mooi’ in elkaars oor fluisteren als weer die piepende skilift of het in gezinsverband tandenpoetsen in de hotelkamer voorbijkwam.

Vanuit het niets voelde een van deze filmhuisbezoekers zich geroepen om het onbedaarlijke lachen van de mevrouw voorin aan te kaarten.

„Wilt u wat zachter lachen? Ik kan me absoluut niet concentreren.”

Daarna werd er de rest van de film door niemand meer gelachen, hetgeen bijna komisch was.

Ja, het was hier beslist anders dan in de megabioscoop naast het voetbalstadion, waar ze het gebodene liggend, etend, krakend, sms’end en emotieloos ondergingen en waar je de aftiteling nooit kon lezen omdat ze er ruim voor afloop al stonden om de jas aan te trekken.

De laatste keer dat we er waren werd er nog het hardst gelachen na afloop, toen ik tegen een glazen deur liep.

„Goed gedaan ouwe”, werd er tegen me gezegd.

Een ander deed het geluid na.

„Bang.”

Typisch Scandinavisch eigenlijk.