‘Tsjechov was óók heel vernieuwend’

Oudere toeschouwers hechten vaak aan conventionele Tsjechov-regies. Met zijn ‘Oom Wanja’ combineert Erik Whien (36) toen en nu. „Ik respecteer de tijd waaruit het stamt, maar wel met een hedendaags levensgevoel.”

Mariana Aparicio Torres als Sonja, Jeroen de Man als Oom Wanja en Han Kerckhoffs als de professor in de voorstelling ‘Oom Wanja’. Foto Sanne Peper

Toen een samovar, nu een waterkan. Toen: landhuizen met liefst dertig kamers. Nu: slechts één huiskamer, volgestouwd met spullen. Toen, dat was het Russische platteland aan het eind van de negentiende eeuw. Languissante, melancholieke mensen woonden daar in vervallen buitens, wachtend op grootse gebeurtenissen die nooit zouden komen. Dromend van een beter leven en vastgelegd door de Russische toneelschrijver Anton Tsjechov (1860-1904) in stukken als Oom Wanja, Drie Zusters, De Meeuw en De Kersentuin.

Nu, dat is een hedendaagse opvoering van Oom Wanja (1897) door de 36-jarige regisseur Erik Whien. „Bij repertoiretoneel is het altijd zo dat de tijd tussen vroeger en nu steeds groter wordt”, zegt Whien in de Haarlemse Toneelschuur, waar hij repeteert aan Tsjechov. „In onze enscenering is het daarom alsof wij twee werelden samenbrengen, die van toen en die van nu, van 1897 en 2015.”

Regisseur Whien maakte furore met bestaand repertoire dat hij zowel klassieke allure geeft als een hedendaagse betekenis. Zijn versie van Albees Who’s Afraid of Virginia Woolf? is daarvan een sprekend voorbeeld: de sfeer was wel degelijk van de jaren zestig op een Amerikaanse campus, maar het spel raakte toeschouwers van nu meteen, door de frisse transparantie en psychologische herkenbaarheid. De personages veranderen van literaire iconen in eigentijdse mensen.

„Ik cast mijn personages vaak veel jonger dan de rol vraagt”, onthult Whien iets van zijn methode. „Dat doe ik bij Wanja, dat deed ik ook bij Virginia Woolf. Dan raak je eerder een nieuwe, jongere generatie toeschouwers.”

Met het opvoeren van Tsjechovs toneelwerk kan zo’n ingreep gewaagd zijn, weet Whien. Een oudere generatie toeschouwers verlangt vaak naar weemoed, pathos, ruisende baljurken, militaire kostuums en de beroemde samovar als symbool van de Russische ziel. Zo kennen zij hun Tsjechov, zoals tot ver in de jaren zeventig gespeeld in ons land. Maar jongere toeschouwers willen een eigentijdse Tsjechov, vaak geactualiseerd. Whien: „Natuurlijk kun je ervoor kiezen mobiele telefoons te laten rinkelen, de personages een iPad te geven en wat niet al. Maar dan zet je jezelf klem en kom je in een wurggreep: wordt malaria dan ebola? Wordt het Russische platteland het strijdtoneel in Oekraïne? Wat doe je met begrippen als boekweit, lijnolie? Ik wil graag de tijd waarin een stuk werd geschreven respecteren en honoreren, maar dan wel met hedendaagse gevoeligheid.”

Weemoedige wereld

De weemoedige wereld van ‘Tsjechov toen’ wordt prachtig opgeroepen in een oud fotoboek van het Moskouse Kunsttheater, waar onder regie van artistiek leider Konstantin Stanislavski Tsjechovs grote toneelstukken hun wereldpremières beleefden. De sfeervolle zwart-witfoto’s roepen een toneelwereld op die nu ver weg lijkt, ouderwets in zijn realisme, maar die destijds gloednieuw was.

Whien bestudeert de foto’s nauwgezet: „Het valt op hoe geposeerd de personages erop staan. Dat moest wel, want de sluitertijd van de camera was lang. Elk gebaar en elke blikrichting is bestudeerd. Foto’s als deze bezorgen sommige toneelliefhebbers misschien heimwee, maar ze zijn ook museaal. Het is natuurlijk bijzonder om te beseffen dat deze speelwijze toen modern was. Tsjechov en Stanislavski waren toneelvernieuwers. Het doek ging op en wat zagen de toeschouwers? Zichzelf. De acteurs droegen de kleren zoals zij, ze spraken zoals zij, over dezelfde onderwerpen. Het theater dat zij voorstonden, speelt zich niet af op kastelen bij koningen, nee, mensen uit de gewone burgerij stonden op het toneel. Dat was nieuw.”

Whien en bewerker Casper Vandeputte, die zorg draagt voor een nieuwe versie van de tekst, verwijzen naar de allereerste scène van Oom Wanja. De eerste verrassing is dat niet het hoofdpersonage maar Astrov op het toneel zit, een idealistische dokter. „Dat was tegen de conventie in”, aldus Whien. Ten tweede: hoofdrolspeler Wanja komt op, geeuwend, zich uitrekkend. Whien: „Het eerste wat hij zegt is ‘Tsja’. Ik vind dat geniaal. Bij Tsjechov en Stanislavski werd het verhevene alledaags. Opvoeringen van nu moeten op eigentijdse wijze eer doen aan die drang tot vernieuwing, daarin ligt een wezenlijke rechtvaardiging.”

Whien wilde met zijn enscenering wel beter aansluiten bij toeschouwers nu. Hij vroeg bewerker Vandeputte: „Kun je die omslachtige taal compacter maken? En zullen we de temperatuur wat lager afstellen?” Whien: „Russen zijn geen Italianen, ze dragen het leed niet uit, ze torsen het in stilte, soms met heftige uitbarstingen, maar Russisch leed is doorgaans naar binnen gekeerd leed.”

De sleutel voor de bewerking schuilt in de brieven die Tsjechov stuurde aan zijn acteurs, onder wie zijn geliefde Olga Knipper die in Oom Wanja de rol van Jelena speelt. Knipper legde Tsjechov de vraag voor hoe ze het vierde en laatste bedrijf moesten spelen, waarin de grote afscheidsscène plaatsvindt. Iedereen verlaat het landgoed, alleen Wanja en Sonja blijven achter. Tsjechov antwoordde dat ze het „licht” moesten spelen, „ingehouden” en vooral niet alsof ze „hevig bevangen zijn door verdriet”. Houd het klein en vlak, zo luidde het advies van de schrijver, houd het verdriet dichtbij. Tsjechov was huiverig voor groots vertoon van gevoelens. Nee, Oom Wanja is licht als een blijspel, schreef hij.

Vandeputte: „Ik heb in mijn vertaling gebruik gemaakt van Nederlandse en Engelse vertalingen. Vooral in het Engels valt de compactheid van zijn taal op. Die streven wij na, want zo praten mensen nu: bondig, zonder overdaad.”

Bij die taal hoort ook een bepaalde speelstijl. Welke kiest Whien voor zijn acteurs? Emotioneel geladen, gedragen, of realistischer, alledaags? „Ik zoek altijd een middenweg”, antwoordt hij. „Ik sta met één been in de tijd van toen en met één in het nu. Ik zoek naar cruciale zinnen, naar de ziel en het hart van het stuk, naar de levenslust en de levenspijn.

„Oom Wanja gaat over de teleurstelling die Wanja bevangt als hij beseft dat hij zijn leven verkeerd heeft geleid. Hij heeft het uit handen laten vallen. Dat inzicht krijgt hij als een professor, die familielid is, en zijn beeldschone vrouw Jelena opeens op het landgoed verschijnen; zij eisen het huis op. Dat grote dierbare huis en de landerijen eromheen waarvoor Wanja en zijn nicht Sonja hun leven lang keihard hebben gewerkt. Alles blijkt voor niets. Hun wereld staat op de kop.”

Tussen humor en tragiek

Vaak wordt beweerd dat Tsjechov zijn stukken als ‘komedies’ zag, maar Whien betwijfelt dat: „Hoe kan iets een komedie zijn als er zoveel zware woorden in staan en zoveel uitingen van wanhoop? Het is eerder een genre tussen komedie en drama in. Als ik naar acteur Jeroen de Man kijk die oom Wanja speelt, dan vertolkt hij precies wat het stuk zo bijzonder maakt: dat zweven tussen humor en tragiek, blijspel en drama. Het is aan de toeschouwers zelf een keuze te maken of ze meegaan met het verdriet van Wanja of dat ze er met distantie naar kijken, als naar verdriet uit een andere tijd.”

Een thema uit Oom Wanja dat ook nu nog actueel is – juist nu weer, zegt Whien – is de angst voor stilstand. Zijn analyse werpt een verrassend nieuw licht op het stuk. „Voordat Oom Wanja begint, is iedereen aan het werk. Astrov als arts, Wanja en Sonja op het land, de professor als boekengeleerde en Jelena speelt piano. Maar met de komst van de professor en zijn vrouw naar het landgoed komt alles tot stilstand. Niemand werkt nog, iedereen is verlamd door hun aanwezigheid. Dat is wat Tsjechov zo meesterlijk doet: hij brengt die mensen samen en drukt op pauze. Daar staan ze dan, verstard in hun dadenloosheid. Een paar jaar geleden regisseerde ik Wachten op Godot van Beckett. Daar staan die twee mannen dan, bij een boom. Wat doen ze? Wachten. In het vacuüm dat ontstaat worden ze gek. Juist tijdens het nietsdoen denderen de grote levensvragen op je af. Dat overkomt Wanja. Zijn angst voor leegte is groot.”

Whien wijst nog eens op de foto’s van het Moskouse Kunsttheater. „Ze openen het venster naar het verleden”, zegt hij. „Dat ze zo statisch zijn, heeft misschien het beeld van Tsjechovs stukken bepaald. Hoe zou dat ‘Tsja’ destijds hebben geklonken? Ik ben er wel benieuwd naar.”