Stedelijk Museum toont zijn grijze oorlogsverleden

De tentoonstelling ‘Het Stedelijk in de oorlog’ maakt de resultaten inzichtelijk van het herkomstonderzoek. Zestien objecten hebben een ‘problematisch verleden’.

Het Stedelijk museum kwam als een held uit de Tweede Wereldoorlog. De nieuwe directeur, Willem Sandberg, had in het verzet gezeten en de belangrijkste conservator, Hans Jaffé, hielp als monuments man bij het redden van door nazi’s geroofde kunst.

Dat beeld van het goede Stedelijk nuanceert het museum op de expositie Het Stedelijk in de oorlog en in het gelijknamige boek. Na onderzoek bleek november 2013 dat er wel degelijk „objecten met een mogelijk problematische herkomstgeschiedenis” in de collectie zitten, zoals te lezen is op de site Musealeverwervingen.nl. Over een aantal van die in totaal zestien werken is inmiddels contact met restitutiecommissie en mogelijke rechthebbenden. Voor de prachtige liggende vrouw van Matisse, Odalisk (1921), zou dit wel eens de laatste kans kunnen zijn om haar in Amsterdam te zien.

De geschiedenis van het Stedelijk in oorlogstijd is onlosmakelijk verbonden met die van de legendarische conservator en vanaf 1945 directeur Willem Sandberg. De man die in 1938 met een witkwast het museum revolutionair moderniseerde, die tijdens de Spaanse Burgeroorlog ging kijken hoe kunst tegen oorlogsgeweld te beschermen, die zich trots liet filmen bij de bunkers bij Castricum waar de collectie sinds mei 1940 lag opgeslagen – inclusief die van zo’n vijfhonderd andere musea, particulieren en handelaren.

Sandberg was de verzetsheld die na de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister in maart 1943 moest onderduiken. Toch moesten hij en zijn directeur David Röell regelmatig buigen voor de bezetter. Er was klein protest, zoals in 1942 het woordje ‘moffen’ op een affiche voor een modetentoonstelling. De censuur verwijderde het snel. Maar Röell en Sandberg konden niet verhinderen dat hun Joodse collega’s eind 1940 werden ontslagen, ook Hans Jaffé, die daarna nog een tijdje als ‘vrijwilliger’ bleef werken tot het museum vanaf 15 september 1941 geen Joden meer mocht binnenlaten.

Het Stedelijk kon ondanks administratief traineren evenmin voorkomen dat in april 1943 de in de Castricumse bunker opgeslagen collectie van het Joods Historisch Museum in zijn geheel werd afgevoerd naar Duitsland.

De Duitse schilder Max Beckmann woonde na zijn vlucht sinds 1937 onder vaak behoeftige omstandigheden in Amsterdam. Het Stedelijk gaf hem geen steun, tot twee weken voor het einde van de oorlog toen directeur Röell Dubbelportret van de kunstenaar en zijn vrouw Quappi voor 6.000 gulden van hem kocht. Het is nu een topstuk in de collectie. De reden was volgens Gregor Langfeld in Het Stedelijk in de oorlog dat Röell vreesde dat de gulden snel zijn waarde zou verliezen.

Sandberg en Röell gaven in 1942 voor de tentoonstelling Stad en land kleine opdrachten aan fotografen, onder wie de Joodse Eva Besnyö. Hun schitterende foto’s van Nederland in oorlogstijd hangen in een paar vervolgzalen elders in het Stedelijk – samen met werk van Armando, Anselm Kiefer en andere kunstenaars die reageren op de nazitijd.

Nachtmerries

Met de belangrijkste kunst in de bunkers was na de heropening in juni 1940 ruimte genoeg aan de muren van het Stedelijk. De bezetter en zijn handlangers stonden te popelen om er volksopvoedende kunst op te hangen. Anders dan bijvoorbeeld het Rijksmuseum wist het Stedelijk dat bijna altijd te voorkomen, vooral door Amsterdamse kunstenaarsverenigingen ruim baan te geven. Dat die verboden waren voor Joden en iedereen die zich niet aansloot bij de Kultuurkamer, zag Röell gezien de omstandigheden graag over het hoofd.

Op de tentoonstelling vat het museum het verhaal over de oorlogsjaren samen in een heldere, wandvullende tijdbalk. De zestien ‘problematische’ kunstwerken zijn in de zalen aangevuld met documenten, brieven, affiches en kunstwerken die de geschiedenis illustreren, zoals de mooiste Picasso van het Stedelijk, Gitaar, compoteschaal en druiven (1924). Het schilderij was van P.A. Regnault, wiens collectie tijdens de oorlog in de Castricumse bunker verbleef. Zijn erven verkochten het doek in 1958 aan het Stedelijk.

In de tentoonstellingszalen zijn – het lijkt een nuance, het is een revolutie – een paar muren grijs geverfd! Dat is in het nog altijd kraakwitte Stedelijk een bijzondere ervaring. Het schilderij Oude veteraan (1899) van Gerard Jan Bos (1860-1943) verrast nog meer. Niemand weet hoe en wanneer het in de collectie kwam. Er is één aantekening uit 1945 gevonden: „Bewaring”.

Misschien hangt de Oude veteraan nu voor het eerst in het Stedelijk. Het fleurt de hele zaal op, al klinkt dat wat vreemd bij het zien van een treurige oude soldaat die koud en hongerig op een zolderkamertje van achteren belaagd wordt door oude nachtmerries van strijd en heldendom.

Het doek heeft die impact omdat het kunst met een helder verhaal is. Iets wat niet gebruikelijk is in het Stedelijk Museum. De maker van de tentoonstelling, Margriet Schavemaker, curator en hoofd onderzoek & publicaties, doet in het boek in dat verband een interessante observatie: „De conventionele focus op authentieke en unieke objecten van hoogstaande artistieke en innovatieve kwaliteit” is niet meer voldoende. „Niet in de laatste plaats omdat de collecties voor moderne en hedendaagse kunst in rap tempo vergrijzen.” De moderne museumbezoeker wil volgens Schavemaker „meer verhalen” en „leren over de context en geschiedenis van kunst”.

Fabrieksmeisjes

Het Stedelijk in de oorlog komt aan die behoefte tegemoet. Wat niet betekent dat de minder ‘moderne’ bezoeker tekortkomt. Daar zorgen ‘hoogstaande en innovatieve’ werken van schilders als Beckmann, Grosz, Picasso en Van Gogh wel voor. Zelfs de zaal met de Oude veteraan is ook een esthetisch genot. Leuk zijn Jan Toorops zes tekeningen van fabrieksmeisjes (waren van de Joodse kunsthandelaar Goudstikker, in oktober 1940 door het Stedelijk op een veiling gekocht; van de erven wordt binnenkort een claim verwacht). De tekening van Matisse van een staande naakte vrouw is meesterlijk (op een inventariskaart staat „1940?” en ook met vraagtekens de namen van drie handelaren die toen werken in bewaring hadden gegeven). Aan de muur ertegenover hangt Matisses geweldige Odalisk (met mogelijk rechthebbenden is contact). En daarnaast Kandinsky’s fraaie Schilderij met huizen (eind 1940 op een veiling gekocht, uit het bezit van een Joodse eigenaresse, er is contact over restitutie) en zijn nog veel mooiere Aquarel no. 2 (voor 1940 eigendom van Paul Citroen en in 1954 zonder documentatie in een kast in het Stedelijk gevonden).

En dan ook nog schilderijen van Kokoschka, Heckel en Pechstein. Alles met een eigen, tragisch, verhaal.