Lijstjeslawine: vijf postume romans

Arthur Conan Doyle

Discovering the Border Burghs and, by deduction, the Brig Bazaar, zo heet het ontdekte verhaal van de Schotse schrijver-arts Sir Arthur Conan Doyle voluit. Maar schreef hij het eigenlijk wel, of betreft het een pastiche?

Ironisch genoeg zijn de boeken waar schrijvers een deel van hun roem aan te danken hebben vaak pas na hun dood verschenen. Vijf postume romans waarvan de kwaliteit, in de meeste gevallen althans, vaststaat.

Vladimir Nabokov (1899-1977): The Original of Laura (2009)

Schermafbeelding 2015-02-25 om 15.13.49

De bekendste werken van Nabokov? Bijna iedereen zal met Lolita (1955), Speak, memory (1951) of het vroeg-postmoderne Pale fire (1962) op de proppen komen. Maar ook The Original of Laura, de roman in 138 systeemkaartjes die tweeëndertig jaar opgeslagen lag in een Zwitserse bankkluis, mag sinds vijf jaar voorzichtig aan dat rijtje worden toegevoegd.

In een bespreking voor NRC Handelsblad noemde Nabokov-liefhebber Hafid Bouazza de roman “het wanhopigste en onverbiddelijkste wat ik van hem gelezen heb”. Maar wat wil je ook, “als ontrouw, dood, walging van het eigen lichaam, onbezitbare schoonheid en onbeantwoorde liefde de onderwerpen zijn?”.

David Foster Wallace (1962-2008): The Pale King (2011)

Schermafbeelding 2015-02-25 om 14.47.07

Op 12 september 2008 pleegde de 46-jarige David Foster Wallace, de literaire held van veel jonge, met name Amerikaanse, schrijvers, zelfmoord door zich in de nabijheid van zijn woonhuis te verhangen. Hij ging al twintig jaar gebukt onder depressies.

Foster Wallace maakte naam met vuistdikke romans als The Broom of the System (1987), over een geplaagde telefoonoperator, en (vooral) het met talloze personages en thema’s volgestopte Infinite Jest (1996), dat een vergelijkbaar uitdagende lezing is als Ulysses van James Joyce.

The Pale King, waar de schrijver tot op de dag van zijn zelfverkozen dood nog aan had gewerkt, draait net als eerder werk van Foster Wallace om een zoektocht naar gemeenschap en zingeving. De ‘need for a we’, zoals Wallace het ooit beschreef, drijft vrijwel iedereen in de roman, maar leidt niet tot geluk. Alle personages – sommigen volgen we vanaf hun kindertijd – stevenen af op een carrière bij de IRS, de Amerikaanse belastingdienst. Hoewel sommigen van hen aangetrokken worden door het idee van burgerschap waarop het belastingstelsel berust, blijkt de IRS maar één ding te bieden: verveling. The Pale King is een roman over de meest dodelijke, dag-in-dag-uit, monotone werkomstandigheden. De roman weidt eindeloos uit over specifieke reguleringen, protocollen, formulieren, en registratienummers van wat hier kortweg ‘the Service’ heet.

Uitweiding en verveling lijken nu niet direct een recept voor leesgenot, maar The Pale King belandde in 2012 wel op de shortlist van de Pulitzer Prize.

J.J. Voskuil (1926-2008): Binnen de huid (2009)

Schermafbeelding 2015-02-26 om 00.55.57

Tijdens zijn leven bezorgden Bij nader inzien (1963) en vooral de zeven delen tellende romancyclus Het Bureau (1996-2000) J.J. Voskuil grote roem. Het Bureau werd door Elsbeth Etty op zeker moment getypeerd als “een rake, fantastisch geobserveerde, humoristische zedenschets van Nederlands burgerdom in de tweede helft van de 20ste eeuw”, waarin “talloze lezers wel iets in de ellendige situatie van hoofdpersoon Maarten Koning herkenden: geknakt in zijn ambities, voorbijgestreefd door zijn oude vrienden en opgesloten in een vreugdeloos huwelijk”.

Veel van Voskuils oeuvre verscheen echter na 1 mei (Dag van de Arbeid) 2008, de dag waarop aan zijn leven een eind kwam. De grootste vis was Binnen de huid, waar hij in 1964 op 38-jarige leeftijd aan was begonnen. De schrijver zag zich tijdens het schrijven geruggesteund door het vertrouwen van uitgever Geert van Oorschot, die Bij nader inzien prachtig had gevonden (en uitgegeven). Toen Voskuil de roman echter inleverde was Van Oorschots respons lauw. Hij achtte het “een mislukking, vervelend, gezeur, lauw water op een filter met reeds afgetrokken koffie” en weigerde publicatie.

Ook de verlate publicatie kon niet op enthousiaste kritieken rekenen. Elsbeth Etty, voor NRC Handelsblad, vond het “een wraakoefening, onverbloemd gericht tegen zijn succesvolle ‘vriend’ de neerlandicus J.J. Oversteegen (1926-1999) en diens echtgenote”.

Oversteegen werd in de gedaante van Paul Dehoes ook al mild onder vuur genomen in Bij nader inzien.

Gustave Flaubert (1881-1880): Bouvard et Pécuchet (1881)

Schermafbeelding 2015-02-26 om 00.56.41

Flaubert heeft het verhaal van twee rentenierende klerken op zoek naar encyclopedische kennis niet helemaal af kunnen maken. Niet dat dit een bezwaar is: de postuum verschenen satire over trial and error op het Franse platteland maakt korte metten met domheid en kleinburgerlijkheid, en is zelfs in deze vorm en lengte al onvergetelijk.

De klerken zijn behept met een onverzadigbare nieuwsgierigheid en een licht ontvlambaar enthousiasme. Die nieuwsgierigheid is te groot voor hun hoofd. Ze storten zich op alle aspecten van de menselijke kennis. Op de geschiedenis, de geologie, de scheikunde, op proza, poëzie en het toneel. Ze verbouwen fruit en groente. Ze maken een studie van de geschiedenis van de streek, leggen zelfs een privémuseumpje vol curiositeiten aan.

Waar dienden de twee heertjes toe? In 2007 bogen meerdere auteurs zich over die vraag in een editie van De Leesclub van NRC Handelsblad, waarin onbekendere meesterwerken van bekende auteurs werden afgestoft. Bouvard et Pécuchet, zo constateerde bijvoorbeeld Roelof van Gelder, is in het verleden wel getypeerd als een kritiek op de wetenschap en met name op het positivisme. Maar dat is toch niet helemaal waar, zo dacht Van Gelder. “Het boek is vooral een satire op het leven als een zinloze en nooit eindigende zoektocht”, omdat Flaubert zijn helden opvoert als zoekers die nooit vinden.

“Het is ironisch en ook wel passend dat het boek nooit is voltooid omdat de auteur tijdens het werk overleed. Flaubert zelf zou dat zelf hebben opgevat als een goede grap.”

Albert Camus (1913-1960): La Mort heureuse (1970)

Schermafbeelding 2015-02-26 om 00.55.07

De jongste winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur heet Rudyard Kipling, hij was nog maar 42 jaar oud toen aan hem de eer te beurt viel. Maar Albert Camus komt bij de Britse schrijver in de buurt, want hij was op het moment van toekenning, in 1957, ook nog maar 44 jaar oud.

De bekendste werken van Camus zijn het nog steeds immens populaire (in 1999 eindigde het boek op de eerste plaats in een verkiezing van Le Monde van de beste roman aller tijden) L’Etranger, over een man die iemand vermoordt maar geen spijt heeft, La peste, over een Algerijnse stad die in de greep raakt van een ziekte, en Le Mythe de Sisyphe, een essay over de doelloosheid van het leven. De fraaie cassette die De Bezige Bij in het vorige decennium uitbracht met alle vertaalde romans van Camus bevat vijf romans, waarvan er twee postuum werden uitgebracht: Le premier homme en La Mort heureuse, oftewel De gelukkige dood.

Het is in feite een vroege roman van Camus, want hij kwam tussen 1936 en 1938 tot stand, en valt te lezen als een soort eerste draft van Camus’ ‘dunne reus’, De vreemdeling. Het boek bestaat uit twee delen, elk bestaand uit vijf hoofdstukken, die getiteld zijn ‘Natuurlijke dood’ en ‘De bewuste dood’. In deel een vermoordt de kantoorbediende Mersault een invalide man en gaat met diens geld op reis. In ‘De bewuste dood’ wordt Mersaults verblijf in onder meer Praag, Genua en Algiers, alwaar hij zich probeert te verzoenen met het idee dat hij een moordenaar is.