Ik ben altijd onzeker gebleven

Zondag presenteert hij voor het laatst radioprogramma Met het Oog op Morgen. Een gesprek met de man met de stem vol gruis.

Foto's Frank Ruiter

Hij heeft het niet nagezocht, maar hij zou best ’ns de langstzittende presentator van één en hetzelfde radioprogramma kunnen zijn. Bijna vijfentwintig jaar presenteerde John Jansen van Galen (74) Met het Oog op Morgen. Hij viel niet alleen op vanwege zijn stemgeluid, maar ook omdat hij elke uitzending afsloot met een gedicht. Dit weekend neemt hij afscheid, met pijn in het hart.

Hij snapt zelf best dat er aan alles een keer een eind komt. „Maar ik was graag nog even doorgegaan. Het Oog is zo’n ongelofelijk mooi programma, echt een oase op de radio. In een uur komt de hele wereld voorbij. Het heeft me al die jaren scherp gehouden.”

Een kwart eeuw stonden zijn zondagen in het teken van de radio. Wanneer hij in het weekend met zijn vrouw Corrie weer een lange afstandswandeling ging maken, stond één ding vast: hij moest zondagavond wel op tijd in Hilversum zijn. „Daar stemden we steevast onze route op af.”

De man met de stem vol gruis is klein van stuk – nog geen een meter zeventig – en tanig; onmiskenbaar de bouw van een lange afstandloper. Jansen van Galen is een gretige verteller. Zorgvuldig formulerend, in gebeeldhouwde zinnen, waarbij de zachte ‘g’ nog altijd als herkomst Velp verraadt. Hoffelijk ook, op een ietwat onalledaagse manier. Van de mok thee die hij voor mij inschenkt neemt hij eerst zelf een slok. „Even controleren of-ie nog warm genoeg is.”

Duizend? Dat kon niet kloppen

Hij presenteerde op de kop af 1.154 uitzendingen. Hoewel, het kunnen er ook minder zijn. Of meer. Die wiskundige souplesse heeft Jansen van Galen overgenomen van Henk van Hoorn. De voormalige Oog-chef wilde jaren geleden al Jansen van Galens duizendste uitzending van Met het Oog op Morgen feestelijk vieren.

De presentator sloeg thuis aan het rekenen – „braaf als ik ben”– en was stomverbaasd. „Ik kwam tot de conclusie dat duizend absoluut niet kon kloppen. Waarop Henk zei: ‘Wat maakt dat nou uit? Denk je nou echt dat er ook maar iémand is die dat gaat narekenen?’”

Die 1.154 programma’s zijn hem lang niet allemaal bijgebleven. Ja, die uitzending met Martine Bijl natuurlijk wel. Bijl had net een dvd met hoogtepunten uit haar cabaretshows uitgebracht en kwam daarover praten. Het werd een van de lastigste gesprekken die hij in de Oog-studio voerde. „Na elke vraag zei ze: ‘waarom vráág je dat nou?’. Bijna neerbuigend. Blijkbaar voelde ze zich niet serieus genomen. Ik had na een paar minuten het zweet in mijn handen staan.”

Daar stonden prachtige uitzendingen tegenover. Rond de feestdagen bij drie graden vorst in een fietsenstalling in Neerijnen met poppenspeler Jozef van den Berg praten over zijn ontmoeting met God. „Een heel indrukwekkend esoterisch gesprek. Ondertussen zaten we wel te vernikkelen.” En dan was er nog het interview met dichter Rutger Kopland, opgenomen in diens tuinhuisje in Glimmen. „Je merkte aan alles dat het een afscheidsinterview was. Hij sprak al over zichzelf in de verleden tijd.”

Radio is zo vluchtig

Vóór zijn Oog-tijd werkte hij jarenlang voor de VPRO-radio en voor de Haagse Post. Van dat weekblad was Jansen van Galen van 1985 tot aan de fusie met De Tijd in 1990 hoofdredacteur. Hoe mooi hij radio ook vond, het medium is voor hem toch minder bevredigend dan schrijven. „Radio is zo vluchtig. Als de uitzending afgelopen is, is het weg. Een weekblad kun je nog ’ns uit de kast trekken, maar je gaat echt geen bandje van je oude programma’s opzetten.”

Hoewel ook de geschreven journalistiek een hoog vluchtigheidsgehalte heeft. Laatst was hij op zoek naar een oud nummer van de HP. Na een lange zoektocht kreeg hij een meisje van de uitgeverij aan de lijn. „Mijnheer, HP/De Tijd bestaat enkel nog in de cloud.”

Als jongetje wist hij al dat hij journalist wilde worden. Hij maakte als scholier krantjes met verzonnen stukken waarin zijn eigen Velpse voetbalclub VVO glorieus kampioen van Nederland werd. Journalistiek raakte voor hem aan heroïek en dromen. „Het heeft ook iets in zich van: de wereld naar je hand zetten.”

Thuis, in het vrijzinnig protestantse gezin, was de wereld klein. Zijn vader dreef een eenmanszaak als timmerman. Hij stierf op zijn 45ste aan kanker. Zijn zoon was toen pas zeventien. Daarna moest zijn moeder het gezin met twee kinderen draaiend houden met het schamele pensioentje van haar man.

Het is jammer dat zijn vader nooit gezien heeft wat er van hem geworden is. Jansen van Galen heeft nog wel herinneringen aan hoe zij samen voetbalwedstrijden bezochten. „Maar toch is hij wel iemand van heel lang geleden geworden. Ik lijk wel op hem. Hij was een onzekere man. Dat heb ik ook. Ik ben altijd onzeker gebleven. Als mensen me ergens voor vragen begin ik altijd met me af te vragen of ik dat wel kan. Ik werd gevraagd om een boek over de geschiedenis van Vrij Nederland te schrijven. Na een half jaar denk ik dan: ‘dit is te hoog gegrepen, dat lukt me nooit’. En later pak ik het dan toch weer op.”

Die onzekerheid is hem altijd blijven achtervolgen. „Ik vond het heel moeilijk om hoofdredacteur te zijn. Daarvoor moet je nogal van jezelf overtuigd zijn. Je moet anderen de maat nemen en soms zelfs wegsturen. Ik liep een hele duinwandeling lang te piekeren over hoe ik tegen een redacteur moest zeggen dat ik zijn stuk niet goed vond. Ik heb vijf jaar op de toppen van mijn zenuwen geleefd, was ongelofelijk opgelucht dat het voorbij was.”

U schreef in de jaren zeventig al voor de HP. Dat waren de gloriejaren van HP en VN.

„Zeker. Je zag in kiosken horden mensen ongezien VN en HP uit het schap grissen. Die moest je gewoon lezen als je wilde meepraten. VN was in die dagen legendarisch, en echt nog groter dan de HP. Ik kende mensen die VN op donderdag in de bus kregen, maar ’m toch al op woensdag kochten om maar niet achter te lopen. VN was een ijzersterk merk. Dat prestige van Joop van Tijn, die op maandag nog even iedereen die er in Den Haag toe deed te spreken kreeg, heeft niemand meer. VN speelde zelfs een rol in generatieconflicten; je ging VN lezen om je af te zetten tegen je vader die De Telegraaf las.”

Waarom solliciteerde u dan in 1968 bij HP en niet bij VN?

„Daar heb je die onzekerheid weer. VN leek mij te hoog gegrepen. Ik dacht dat de HP meer mensen van mijn niveau had. Dat is mijn basisinstelling. Al zat bij de HP wel W.L. Brugsma, die ik van jongsaf aan bewonderde.”

Bestaat dat soort journalistiek nog?

„Wat Tom-Jan Meeus schrijft in NRC doet er aan denken. En die politieke reconstructies die je soms in kranten ziet hebben er eveneens iets van weg. Die VN-journalistiek is van de weekbladen geheel overgegaan naar de dagbladen. Het huidige Vrij Nederland is een soort tijdschrift geworden, tamelijk onthecht van de actualiteit.”

Bij de Haagse Post schreef Jansen van Galen veel over de dekolonisatie. Een interesse die bij toeval ontstond omdat de VPRO-radio hem eind jaren zestig vroeg naar Suriname te gaan. „Het reisbudget voor dat jaar moest nog op. Of dat niet iets voor mij was. Ik besloot dat budget dan ook maar goed op te maken en ben meteen een maand gebleven. Fascinerend vond ik het: zo exotisch en vreemd en tegelijk zo Hollands. Ideaal voor journalisten die graag in een ver buitenland wilden werken zonder een vreemde taal te hoeven leren.”

Zijn boek Afscheid van de koloniën uit 2011 was bedoeld om erop te promoveren. Maar het werd afgekeurd door de meerderheid van de promotiecommissie. Toen het na een jaar vijlen en herschrijven alsnog werd goedgekeurd was voor hem de lol er wel af. „Ik wilde niet zoals Ferry Hoogendijk promoveren op een proefschrift waarvan iedereen zei: ‘vriendjespolitiek!’.”

Dan maar gewoon een publieksboek. Ook mooi. Dat staat toch maar fijn naast die andere boeken die hij schreef. Veel meer dan dat zal hij niet nalaten. Hoeft ook niet. Hij is tevreden zo. „Als ik mijn loopbaan beter had gepland was ik misschien aan grotere dingen toegekomen. Met Het Oog als constante ben ik altijd heel gelukkig geweest. En ik ben blij dat ik Suriname als specialisme heb kunnen uithakken, maar verder is het allemaal nogal springerig geweest. Ik heb vooral gereageerd op wat er voorbij kwam, op wat me werd aangeboden. Ook door mijn instelling: laat ik vooral niet overvragen.”

Dat klinkt inderdaad misschien een beetje als: ‘wie ben ik dat ik dit doen mag?’, geeft Jansen van Galen toe. „Dat is nou eenmaal mijn aard. Ik heb het er weleens over met Jan Siebelink (mede-Velpenaar en vriend). We zijn allebei dorpsjongens gebleven. Als ze ons ergens uitnodigen vinden we dat al snel een hele eer. ‘Goh, dat ze ons erbij willen hebben’. Dat blijft altijd in je zitten. Ik kwam als jongen dagelijks langs Bronbeek. Als ik er nu weleens word uitgenodigd om te spreken, en de commandant van Bronbeek komt zelfs in vol ornaat naast me zitten, dan denk ik toch automatisch: poeh poeh…!”