Een festival vol cliff hangers

Tot zondag vindt in Heerlen de vijfde editie van het Dutch Mountain Film Festival plaats. Het festival draait om prachtige landschappen, historische tochten en nieuwe routes.

Dit zijn de films die je moet zien.

Foto Ruben de Vries

Bergfilmfestivals bestaan al geruime tijd, vooral in de Alpenlanden. Maar sinds 2011 is er in Nederland elk jaar het Dutch Mountain Film Festival. Van begin af zijn de vertoningen meer dan shots adrenaline voor klimmers. Ook films van nieuwe routes, historische tochten en films over de schoonheid van het berglandschap behoren tot het genre.

In alle films speelt de berg de hoofdrol, maar net zo veelzijdig als bergen zijn, zo afwisselend zijn de films.

Groots en majestueus van opzet is Beyond the Edge (2013) van regisseur Leanne Pooley, dat op DMFF zijn Nederlandse première beleeft. Het is 1953, de Britten hebben bijna de hoogste berg ter wereld, de Mount Everest, te veroveren. Pooley combineert in Beyond the Edge met souplesse historisch beeldmateriaal met een nieuwe speelfilm, waarin acteurs Chad Moffitt en Sonam Sherpa de oorspronkelijke klimmers Edmund Hillary en Tenzing Norgay vertolken. Documentaire en spel vinden elkaar. Spectaculair zijn de beelden van het laatste traject, vlak onder de top, waar plots een bijna onneembare, overhangende steenbrok opdoemt, later Hillary Step genoemd. De klimmers aarzelen. Centimeter voor centimeter vorderen ze, met onder hun voeten de zuigende diepte en boven hun hoofd de wenkende top. Hoogte en diepte: de camera zwenkt heen en weer, met een hallucinerend effect. In het overwinningsbeeld neemt de regie een opmerkelijke beslissing: de camera zwenkt welbewust weg van de top en dus van de bedwingers, en brengt het berglandschap in beeld met al die ‘achtduizenders’ met toppen boven de 8.000 meter. Hiermee geeft de film welbewust geen antwoord op de vraag wie van het tweetal als eerste op de top stond. Was het Hillary? Tenzing?

Heel anders is Cerro Torre (2013) van regisseur Thomas Dirnhofer. Hierin volgen we de Zwitserse alpinist Michel Piola, fameus vanwege de nieuwe routes die hij wereldwijd uitzet. Met een boormachine baant hij zich een weg naar boven. Dit is zo’n film waar de argeloze toeschouwer zich afvraagt wat klimmers bezielt, in het luchtledige hangend, als een krab klauterend tegen overhangende rotsen.

De vertoning op DMFF die beslist tot discussie gaat leiden is Nowhere Place (2014) van de jonge Nederlandse regisseur Susanne Opstal. Klimmer Wilco van Rooijen komt uitvoerig aan het woord over het drama dat zich voltrok op de K2 in de Himalaya. Er vielen elf doden. Hijzelf raakte spoorloos, verkeerde twee nachten in de zone des doods (boven de 8.000m) en werd gevonden. In suggestief getoonzette beelden bij hem thuis zien we zijn zoontje, hangend aan klimtouwen. Dan zwenkt de camera naar Van Rooijens zwartgeblakerde tenen: die waren bevroren. Hij moet ze voorgoed missen. Is het klimmen zo’n offer waard? „Ik houd zielsveel van bergen”, verdedigt Van Rooijen zijn passie met gebroken stem. „Daar begint mijn leven en ben ik dichtbij het goddelijke.”

Opstal wisselt veelvuldig van perspectief, het gaat niet alleen over bergen: we zien iemand die met de missie Mars One voor altijd naar de verre planeet wenst te gaan. Daartussen monteert Opstal met een voice-over teksten over het heelal en de sterren, over het verlangen op „deze geschifte wereld een blijvende indruk achter te laten”. Dan komt de schokkende waarheid: dit zijn dagboekcitaten van de moordenaars op Columbine High School, Colorado 1999. Met bergbeklimmen hebben deze brute daders niets te maken, toch gaat de kijker er aanvankelijk in mee dat de citaten van een klimmer zijn.

Met terugwerkende kracht krijgt Nowhere Place een griezelige dimensie. Is het gerechtvaardigd de noodlottige beklimming van de K2 op één lijn te stellen met de even fatale gebeurtenissen op deze highschool? Misschien ligt het antwoord besloten in Van Rooijens onverbiddelijke liefde voor de bergen, ondanks alle opoffering.