Column

Documentairemaker maalt niet om feiten

Ambulance in docu ‘Paradijsbestormers’ (BNN).

Op de grens van journalistiek en fictie is het gevaarlijk toeven. Hoe slecht de reputatie van journalisten tegenwoordig ook moge zijn, er wordt van ze verwacht dat ze kwesties goed uitzoeken en hun bevindingen niet verdraaien. De vrijheid voor kunstenaars om zaken te verzinnen of in een eigenhandig gecreëerde context te plaatsen is veel groter. Maar dan moeten ze wel weten wat ze doen en het fictieve karakter moet duidelijk zijn.

Twee voorbeelden riepen gisteren vragen op. Kunstenares Tinkebell (Katinka Simonse) vertelde Omroep Brabant dat de uitgezette Afghaanse asielzoeker Feda Amiri en diens dochter Tamana „aannemelijk toneel gespeeld hebben.” Dat zou de zaak juist interessant maken voor haar project, dat onder meer wil onderzoeken hoe je media en politiek kunt mobiliseren.

Samen met haar „vriendin” Tamana en Tweede Kamerlid Joël Voordewind (ChristenUnie) zat Tinkebell vorige week op de bank bij Jinek haar engagement uit te spreken met het lot van de Amiri’s. Gisteren zei Voordewind dat hij de medische rapporten had opgevraagd, omdat Tinkebell geen onderzoeksjournalist is.

Er waren ook mensen die boos waren dat zoiets tragisch als de asielzoekersproblematiek gebruikt werd voor een kunstproject. Onzin, alles leent zich voor kunst. En iets zegt me dat die Tinkebell zich niet voor enig karretje laat spannen, maar de teugels zelf stevig vasthoudt.

De andere kwestie komt me ernstiger voor. Midden-Oostenverslaggever Harald Doornbos meldde op zijn eigen website een ontdekking over de 11 september vorig jaar door BNN uitgezonden documentaire Paradijsbestormers. Daarin trekt regisseur Floor van der Meulen (25) naar de Turks-Syrische grens om contact te leggen met Nederlandse jihadstrijders. In een interview met Vice vertelde Van der Meulen hoe haar de kogels om de oren vlogen. Ze gaf kleine camera’s mee aan Syriërs die met een ambulance mee gingen over de grens: „Zij filmden het conflict van dichtbij, echter dan dat wordt het niet.”

Zo zien we vlak nadat de ambulance wegstoof, schokkerige beelden van een bloedbad. Doornbos ontdekte dat die echter afkomstig waren van YouTube, opgenomen op een andere datum, 150 kilometer verderop. Toen hij Van der Meulen erop aansprak, zei ze geschrokken: „Ik ben een documentairemaakster, ik monteer niet op feiten.”

Alweer geen journalist dus, maar een kunstenaar. Ook al staat op de aftiteling dat er in de film gebruik is gemaakt van bestaand materiaal, dan nog is dit een curieuze vorm van misleiding. De kijker kan geen andere conclusie trekken dan dat de slachtoffers in beeld op dat moment op die plaats gefilmd zijn. Je gaat niet zomaar andere beelden daartussen monteren. Het lijkt een beginnersfout met de beste bedoelingen. Toen de Nederlands-Palestijnse Hany Abu-Assad in de documentaire Ford Transit (2003) akelige Israëlische soldaten had laten naspelen door zijn vrienden, was er even grote verontwaardiging. Nu werkt hij met succes in Hollywood.

Maar bij zulke gevoelige onderwerpen, kun je ook als kunstenaar toch maar beter ouderwetse, noem het journalistieke normen hanteren.