De tweedekans-kunstenaar kiest voor Vlaanderen

Vlaamse kunstopleidingen

Steeds vaker kiezen Nederlandse kunststudenten voor een opleiding in België. Een tweede studie volgen is er niet zo duur als in Nederland. En er zijn geen quota.

Illustratie Studio NRC

Toen ze zich drie jaar geleden inschreef in Gent voor een studie film, wist ze eigenlijk niet veel over de opleiding, vertelt Sophie Kurpershoek (25) uit Amsterdam. „Enkel dat de Oscargenomineerde regisseur Felix Van Groeningen er had gestudeerd.” En dat het er wat artistieker aan toeging dan aan de Nederlandse filmacademie. „Daar moet je bijvoorbeeld kiezen of je cameravrouw, regisseur of scenarist wil worden, hier doe ik van alles een beetje.”

Eind januari slaakte de rector van de Universiteit van Antwerpen een noodkreet. Net als in andere hogere opleidingen neem het aantal Nederlandse studenten op zijn universiteit jaar na jaar toe. In tien jaar tijd is het aantal Nederlandse studenten in het Vlaamse hoger onderwijs verdrievoudigd. Toen bekend werd dat in Nederland het basisbeurssysteem wordt afgeschaft, vreesde Alain Verschoren helemaal voor een stormloop. Onderwijsminister Jet Bussemaker (PvdA) moest eraan te pas komen om de Belgen gerust te stellen.

Ook op Vlaamse kunstopleidingen blijkt de toename van Nederlanders de voorbije jaren significant. Sinds 2008 steeg het aantal Nederlanders in Vlaamse kunstopleidingen met 65 procent terwijl het totale aantal studenten in die opleidingen slechts toenam met 11 procent. Maar waarom kiezen Nederlandse kunstenaars in spé voor Vlaanderen? En zijn er ook nadelen aan die keuze?

Goedkoper

Kunststudenten kiezen vaak voor Vlaanderen om dezelfde redenen als andere Nederlandse studenten: studeren is er goedkoper – vanaf september is het collegegeld 105 euro per jaar voor een beursstudent en 890 euro voor een niet-beursstudent. Een pak minder dan de 1.906 euro in Nederland.

Een niet onbelangrijk detail is dat het inschrijvingsgeld in Vlaanderen ongewijzigd blijft voor een tweede opleiding. Voor de 26-jarige Amsterdammer Baltasar Thomas die er al een studie media en cultuur aan de UvA had opzitten is dat een van de redenen om te kiezen voor een filmstudie in Gent. Thomas: „Ik had ook toelatingsexamen gedaan bij de Rietveldacademie, ik was uiteindelijk niet toegelaten, maar maakte me vooraf al zorgen hoe ik die 5.000 euro per jaar zou moeten betalen.”

Volgens Jeroen Chabot, directeur van de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, is in Nederland vooral een tweede studie onmogelijk geworden. Chabot: „Dan betaal je gauw 5.000 tot 8.000 euro. Decanen en ouders stimuleren jongeren na de middelbare school om een opleiding te kiezen waarmee ze gemakkelijk werk zullen vinden, meestal geen beeldende kunst of vormgeving. Terwijl het voor veel mensen een passie is, en ze het dus later alsnog willen studeren.”

Een ander teken dat veel ‘tweedekanskunstenaars’ naar Vlaanderen trekken, is de toename van Nederlandse cursisten in avond-kunstopleidingen in de Belgische grensregio. Daar steeg hun aantal met bijna 20 procent in de afgelopen vijf jaar.

Opvallend is de voorkeur van jonge kunstzinnige Nederlanders voor film- en regieopleidingen in Vlaanderen. Logisch volgens Chabot: „In Nederland heb je weinig scholen die zich met audiovisuele studierichtingen manifesteren. Op masterniveau heb je enkel de filmacademie van Amsterdam, zij nemen slechts een beperkt aantal studenten aan.” Vlaamse filmscholen beperken het aantal studenten wel door middel van een toelatingsexamen, maar de overheid legt geen quota op.

Niet blindstaren op collegegeld

Ad van Rosmalen, directeur van het Antwerpse Sint Lucas, vindt dat men zich niet mag blindstaren op het lagere collegegeld of plaatsgebrek als reden voor het grensverkeer: „De Nederlandse studenten in mijn academie zijn vooral mensen die hebben gereisd en nadien ergens anders willen wonen dan in Nederland.”

Hij wijst ook op inhoudelijke verschillen tussen opleidingen in België en Nederland, die spreken sommige studenten aan. Van Rosmalen: „Kunstopleidingen in België zijn academische opleidingen en geen hbo-opleidingen, dat wil bijvoorbeeld zeggen dat in Sint Lucas studenten beeldende kunst tien uur per week tekenles krijgen. Niet om beter te leren tekenen, maar om hun blik op de wereld te vormen, zoals studenten in andere academische opleidingen teksten lezen.”

Verder zijn er over het algemeen in België meer docenten per leerling, vertelt Van Rosmalen: „Bij ons heb je één docent per acht studenten. Op de Willem de Kooning is dat bijvoorbeeld één per tweeëntwintig. Dan krijg je als student een ander soort aandacht. Salarissen van kunstdocenten waren in België lange tijd een manier om afgestudeerde kunstenaars te subsidiëren. Daar staat tegenover dat de overheid in België minder investeert in de infrastructuur van de kunstonderwijsinstellingen.”

Dat klopt volgens Chabot: „In Nederland krijg je tegenwoordig een bonus als je 20 procent van je studentencorps inlevert. Het totale bedrag dat je dan ontvangt als instelling blijft gelijk, maar omdat je minder studenten aanneemt, kun je investeren in andere zaken.”

Dat merken ook de studenten zelf. Collega’s van Sophie Kurpershoek in Nederland krijgen van hun opleiding soms een budget voor hun films. Dat is bij haar niet het geval. „Maar weinig geld maakt je creatief, ik heb net een film gedraaid voor 300 euro.”

Ook de 22-jarige student Raoul Groothuizen uit Roosendaal, die momenteel zijn eerste jaar film aan de Brusselse filmopleiding Rits volgt, vindt het geen probleem dat hij zelf het materiaal voor zijn eindexamenfilm moet financieren. „Dat is realistisch, tegenwoordig worden steeds minder films gesubsidieerd. Je moet zelf sponsors zoeken. Als ze je op school leren hoe je dat moet aanpakken, vind ik dat hulp genoeg.”

Maar net daar plaatst de directeur van het Antwerpse Sint Lucas een kanttekening. Van Rosmalen: „Een groot nadeel van de opleidingen in België is, net omdat het geen hbo-opleiding zijn, dat ondernemerschap bij ons veel minder in het lessenpakket zit geïntegreerd dan bijvoorbeeld op de Willem de Kooning.” Hij kijkt haast met jaloezie naar hoe Nederlandse academies dat tegenwoordig aanpakken.

Ook op de Antwerpse theateropleiding lijken er op dat vlak verschillen te bestaan met Nederland. De Amsterdamse Suzanne Grotenhuis (29) studeerde er enkele jaren geleden af en maakt nu voorstellingen in Vlaanderen en Nederland. „In Nederland leer je volgens mij beter hoe je audities moet aanpakken, hoe je zorgt dat mensen je gezien hebben. In Antwerpen werd daar zelden aandacht aan besteed. Het ging veel meer over je eigen stem vinden. Ik vind dat goed, maar merkte wel dat mijn klasgenoten en ik, nadat we afgestudeerd waren, veel zaken met vallen en opstaan moesten uitzoeken. Meer dan bijvoorbeeld collega’s die een acteeropleiding hebben gevolgd in Maastricht.”

Grotenhuis wijst er ook op dat je tijdens je studie begint met het opbouwen van een netwerk, erg belangrijk voor jonge kunstenaars. Haar netwerk in Nederland was na afstuderen in België onbestaand.

Meer grensverkeer

De directeuren van de Sint Lucas en de Willem de Kooning Academie zijn alvast voorstanders van meer grensverkeer in hun kunstopleidingen. Beiden vinden het idee dat studenten hun hele opleiding aan één instelling volgen verouderd, studenten moeten worden gestimuleerd om op verschillende plekken vakken te volgen. Chabot van de Willem de Kooning: „Opleidingsinstituten zijn geen plekken meer waar docenten unieke eigenaar zijn van unieke kennis die ze overdragen. Het zijn sociale verbanden waar studenten willen verblijven, ervaringen opdoen, samenwerken en zich uitgedaagd voelen. Kennis is toch online beschikbaar.”

Van Rosmalen denkt dat er nog veel meer Nederlandse studenten kunstopleidingen kunnen en moeten volgen in Vlaanderen. Het potentieel van die opleidingen wordt volgens hem onderbenut. Er zijn, zegt hij, in vergelijking met Nederland nog steeds relatief weinig studenten die kunstrichtingen volgen in Vlaanderen. Van Rosmalen: „In heel Antwerpen zijn er krap 850 studenten die kunst studeren, beeldende kunst en vormgeving bij elkaar opgeteld. In Rotterdam zitten op de Willem de Kooning alleen al meer dan 1.200 studenten.”

Is dat ook wenselijk? De quota van bijvoorbeeld de filmacademie van Amsterdam zijn er niet zonder reden, maar om te voorkomen dat studenten worden opgeleid voor een onbestaande markt. Er zijn geen gegevens beschikbaar over hoeveel Nederlanders na een opleiding in Vlaanderen terugkeren naar hun thuisland.

Maar Chabot vindt quota aan kunstopleidingen sowieso een slechte zaak: „Het is gewoon niet slim om kunstmatig een rem te zetten op het verlangen van mensen om iets creatiefs te studeren. Mensen die geschikt zijn voor ons onderwijs, moet je een hbo- of academiewaardige opleiding aanbieden. Anders gaan ze nepkunstopleidingen volgen waar ze zelfs zonder toelatingsexamen aan kunnen beginnen. Daar word je slecht opgeleid voor vergelijkbare beroepen als waar onze studenten terechtkomen.”