‘De tale Kanaäns’ is kunst bij Labeur

In de Vleeshal heeft Liesbeth Labeur een plafond opgehangen waar je via ladders boven kan kijken. Foto Leo van Kampen

Er bestaan „zielen die in de bloemhof zijn gejaagd” en „zielen die nog niet van de hemel zijn gevallen”. Er is „balsem in Gilead”, „keurvolk” dat niet wordt herkend door „blinde mollen”, en „een nachthutje in de komkommerhof”.

Wie trouw de Bijbel leest, herkent deze woorden meteen. Dit is de tale Kanaäns, het Woord van God - leidend, zalvend, helder als een ster aan de hemel.

Voor minder Bijbelvasten drukken deze woorden niet God uit, maar eerder poëzie.

Liesbeth Labeur (Middelburg, 1975) noemt zichzelf een ‘bruggenbouwer’. Ze is opgegroeid in een orthodox-calvinistische gemeenschap in Zeeland, waarin het Woord van God centraal staat. Het Woord - zo leerde Labeur - is baken en afbakening tegelijkertijd: het zorgt ervoor dat mensen die allemaal Nederlands spreken, elkaar toch niet verstaan. Hoe deze kloof, deze spraakverwarring, te dichten?

Liesbeth Labeur heeft sinds haar afstuderen aan de Sint Joost Academie in Breda behoorlijk aan de weg getimmerd. Ze gaf in 2009 met succes de eenmalige glossy Calvijn! uit, won in 2011 de Stripschapsprijs met haar originele en schitterend getekende graphic novel De Weg naar Zoar en maakt beeldende kunst: installaties, geluidswerken en tekeningen. Ze is nog niet zo beroemd als haar Zeeuwse collega Maartje Korstanje, maar dat gaat in de toekomst vast komen. Want hoe zij gelovigen en niet-gelovigen meevoert in haar werk, is open, speels, veelgelaagd en beeldschoon.

Een goed voorbeeld is nu in de Vleeshal in Middelburg te zien. Daar heeft Labeur de van oorsprong Bijbelse tekst „nachthutje in de komkommerhof” samen met curator Laurie Cluitmans omgezet in een driedimensionale installatie die de hele laatgotische Vleeshal in beslag neemt. Bij binnenkomst zie je een reusachtig systeemplafond waarin op vijf plaatsen elementen zijn vrijgelaten. Daar staan rechte houten ladders - als touwen naar de hemel. Klim de ladders op, hou je goed vast, steek je hoofd door het gat en bekijk de wereld die aan de andere kant van het plafond ‘leeft’.

Hierboven klinkt het subtiele geruis van meisjesstemmen en zachte orgelmuziek. Aanvankelijk denk je aan straatgeluiden. Hierboven neemt Labeur het woord liefdevol onder handen. Op verschillende plekken van het plafond, dat tegelijk een niet te betreden vloer is, heeft ze tableaus bedekt met tekeningen, uitgeknipte en half leesbare woorden die als serpentines in elkaar verwikkeld raken. Ik ontcijfer een hele zin: „Elk oog zal hem zien op de jongste dag”. Op andere plekken blijven de woorden flarden en vormen driedimensionale abstracte beelden in zwart.

„Nachthutje in de komkommerhof” verwijst naar de profeet Jesaja, die verhaalt hoe de dochter van Sion onderdak vindt op een vruchtbare plek in de woestijn waar komkommers welig groeien. Labeur slaagt er even subtiel als indringend in om die paradijselijke ruimte te herscheppen. Ze laat zien dat het woord van God richtsnoer kan zijn, maar ook en bovenal tot kunst gemaakt kan worden.