De kindsoldaat werd een monster. Verdient hij straf of verzoening?

Voor het Internationaal Strafhof in Den Haag staat nu een hoge leider van het Verzetsleger van de Heer terecht. In Oeganda zelf zouden velen hem liever bij een traditioneel verzoeningsritueel verantwoording laten afleggen. Door onze correspondent Koert Lindijer

Links: Commandant Dominic Ongwen in januari voor het Strafhof. Rechts:Ongwen (derde van rechts) en links van hem Joseph Kony, in Zuid-Soedan in 2008. Foto’s Peter de Jong/AP en Mark Muthee/Africa24 Media

Dominic Ongwen maakte een verwarde indruk in de vissenkom van een rechtszaal bij het Internationale Strafhof in Den Haag. Vanachter het kogelwerend glas loerde op 26 januari een tribune vol blanke mensen naar de ongeveer 40-jarige Oegandees, de mystieke rebellenleider die het grootste deel van zijn leven een woest bestaan leidde in de Afrikaanse wildernis. Ongemakkelijk luisterde hij naar de aanklachten tegen hem – zware misdrijven waarvan hij zelf ook slachtoffer was.

Dader en slachtoffer. Vlak na zijn arrestatie, naar nu blijkt al medio december in de Centraal Afrikaanse Republiek, had de voormalige kindssoldaat die uitgroeide tot een hoge commandant in het Verzetsleger van de Heer (LRA) gezegd: „Ik ging blind en doof de bush in, en zo kom ik er ook weer uit. Ik ben nu een herboren kind, dat je niet mag beschuldigen van zijn fouten. Ik ben een dwaas”.

Het LRA is de meest moorddadige rebellengroep in Afrika van de afgelopen halve eeuw. Nergens op het continent woedt zo’n vurig debat over wat te doen met daders en slachtoffers. Welk rechtsysteem kan het leed verlichten, veroorzaakt door deze brute en bizarre oorlog die eerst in Noord-Oeganda plaatsvond en daarna uitwaaierde over de Democratische Republiek Congo, Zuid-Soedan en de Centraal Afrikaanse Republiek? Botst vrede met rechtvaardigheid, bestraffing met verzoening? Koesteren het Westen en Afrika fundamenteel andere opvattingen over gerechtigheid?

In 2005 vaardigde het Internationaal Strafhof arrestatiebevelen uit tegen vijf leiders van het Verzetsleger. Van die vijf is LRA-leider Joseph Kony nog steeds voortvluchtig. Drie anderen werden door hem vermoord of sneuvelden tijdens gevechten. Tegen Ongwen formuleerde het Strafhof drie aanklachten wegens misdaden tegen de menselijkheid en vier wegens oorlogsmisdaden. Ze zijn gebaseerd op een bloedbad met meer dan vijftig doden op 19 mei 2004 bij het gehucht Lukodi in Noord-Oeganda.

In de schaduw van het afdak bij de kruidenierswinkel in Lukodi schudden alle mannen resoluut het hoofd: Nee, Ongwen mag nooit vrijkomen, hij moet in Den Haag eeuwig boeten voor zijn zonden, zeggen ze. „Om zes uur in de middag begon de aanval. De LRA-strijders schreeuwden en schoten”, vertelt de oude man Gibson Ogot. „Ze doodden een van mijn zonen. Ik zag hoe ze een kind in het vuur gooiden. Ongwen is een monster”.

Uit onderschept radiocontact tussen de aanvallers in Lukodi en het Altaar, het commandocentrum van het LRA, blijkt dat Ongwen de aanval weliswaar niet leidde, maar er wel een belangrijke rol bij speelde.

Het LRA is berucht geworden door de inlijving van kindsoldaten. Ze worden gedwongen kinderen te doden die proberen te ontsnappen. Door dwangarbeid, speciale rituelen en de gebruikelijke 250 stokslagen wordt hun ingeprent hun familieleden te vergeten. Na de moord op hun karakter blijken ze zodanig gedesoriënteerd dat moorden een makkie wordt. Zonder angst verminken ze burgers en snijden hun lippen en neuzen af.

Een jaar na de aanval op Lukodi werd David, een andere zoon van de oude man Gibson, door Ongwen ontvoerd. „Ik kwam van onze akker toen hij mij en mijn twee broers ontvoerde. Na een week lopen door de bush smeekte ik Ongwen mijn twee broers te laten gaan. Hij ontplofte van woede. ‘Jij komt nooit meer thuis, nooit meer, alleen in je dromen’, zei hij en bond me aan een boom. Hij bewerkte me met een kapmes en sloeg me vele malen met een stengel suikerriet. Tot ik bloed pieste. Ik zag hoe hij ontvoerde kinderen doodsloeg. Iedere dag moest hij doden, niet omdat hij bevelen kreeg, maar omdat hij er plezier in had”.

Na vier jaar wist David te ontkomen. Ongwen kan hij niet vergeven: „Hij probeerde niet te ontsnappen, hij genoot van zijn positie”.

Oeganda heette wegens het chronische politieke geweld ‘het zieke kind van Afrika’ toen het LRA rond 1987 werd opgericht. De uit het zuidwesten afkomstige Yoweri Museveni had zich in 1986 in de hoofdstad Kampala een weg naar de macht gevochten. Zijn zege luidde het einde in van een lange periode waarin de noordelijke presidenten Idi Amin en Milton Obote de dienst uitmaakten.

President Museveni riep de toorn over zich af van de noordelijke Acholi-stam door grootschalige diefstal van vee en andere plunderingen door zijn regeringssoldaten. Dat leidde tot een uitzonderlijke gebeurtenis: door geesten bezeten militaire leiders begonnen een opstand tegen Museveni. Eerst waren het duizenden halfnaakte en met olie tegen kogels ingesmeerde strijders van de Beweging van de Heilige Geest, gevolgd door het LRA van de voormalige altaarjongen en kruidendokter Joseph Kony. Bij de oorlog van het LRA tussen 1987 en 2005 kwamen naar schatting 100.000 noorderlingen om, 2 miljoen burgers raakten ontheemd en 60.000 kinderen werden door het LRA ontvoerd.

Julanda Aoyo, de zus van Ongwen, zit bij het dorpje Corom op een mat omringd door kippen en kinderen kookbananen te schillen. „Die arme drommel”, brengt ze uit als ze naar een krantenfoto van hem in Den Haag kijkt. Ongwen werd naar eigen zeggen in 1975 geboren in ‘het seizoen van de witte mieren’, een delicatesse bij de Acholi’s. Het LRA ontvoerde hem in 1988, toen hij 14 was.

„Als kleine jongen gedroeg hij zich gehoorzaam en gedisciplineerd. En hij bleef maar huilen toen zijn moeder stierf”, zegt zijn zus. Zijn moeder overleed door ‘vergiftiging’ (lees: na een familieruzie), het LRA doodde zijn vader na zijn ontvoering. De blik van Julanda zit vastgenageld op de foto met de knappe man, met net als bij haar dat kuiltje op het voorhoofd en dezelfde dalende oogleden. Hard slaat ze op haar hart. „Hij werd ontvoerd, het was niet zijn fout. Vergeef hem. Hij is een schat van een jongen”.

Haar smeekbede voor vergiffenis resoneert op menige plaats in het woongebied van de Acholi’s. Na Ongwens arrestatie deed een groep religieuze en traditionele leiders in de regionale hoofdplaats Gulu een oproep hem niet „dubbel te straffen” en hem naar Noord-Oeganda te sturen voor rituele zuiveringen.

Op audiëntie bij David Onen, het opperste stamhoofd van de Acholi’s, klinkt hetzelfde refrein. „In Den Haag is gerechtheid cosmetisch”, zegt Onen. „De rechtszaak in Den Haag helpt ons op geen enkele manier oorlogstrauma’s te verwerken. In ons traditionele systeem kennen we geen gevangenisstraf, alleen verzoening en vergoeding is belangrijk. Veel Acholi’s koesteren bittere gevoelens, berechting in het verre Den Haag voorkomt dat die pijn verdwijnt. Dat kan alleen door een confrontatie tussen dader en slachtoffer. Als ze met hem klaar zijn in Den Haag, moet hij hier zijn verhalen komen vertellen.”

De traditionele manier om misdadigers te berechten bij de Acholi’s is niet met rechtbanken en cachotten, maar met uitvoerige ceremonies waarbij schuld wordt bekend en vergoeding geregeld. Een van die zuiveringsrituelen heet mato oput waarbij dader en slachtoffer een bitter sapje drinken en op een ei stappen. Het ei symboliseert de onschuld en door er met blote voeten op te staan, keert de dader terug naar zijn prille jeugd toen hij nog geen kwaad kende. Er worden verhalen verteld, uren-, dagenlang.

Het vertellen van verhalen, zo typisch voor orale culturen, zal bij het komende proces in Den Haag ontbreken. Wafula Ogutu is oppositieleider in het parlement in de hoofdstad Kampala. „We hebben in Oeganda een waarheidscommissie nodig, een forum waar iedereen zijn verhaal kan vertellen”, zegt hij. „Politiek en moorden zijn in Oeganda altijd hand in hand gegaan. President Museveni is ook een moordenaar.” Daarom is parlementariër Ogutu tegen berechting van Ongwen. „Hij werd als ontvoerde tiener gedwongen vrienden te executeren. Hij liep trauma’s op waardoor hij zelf ging moorden.”

Verscheidene malen werd een uitweg gezocht voor de oorlog door overleg met het LRA. Een mislukte poging leidde in 2000 tot de afkondiging van een amnestiewet waaronder 13.000 LRA-strijders werden gerehabiliteerd. De regering van Zuid-Soedan bemiddelde tussen 2006 en 2008, maar het Internationaal Strafhof werkte tegen en ook dit overleg liep vast.

Mensenrechtenactivist Michael Otim nam deel aan dit vredesoverleg in het oerwoud. „Nadat ik Joseph Kony en Dominic Ongwen goed had leren kennen, verloor ik de hoop dat verzoening de uitweg kan zijn”, vertelt hij. „Ongwen was een hardliner en Kony voelt zich superieur aan iedereen. Hij ziet het Internationaal Strafhof als een rechtbank voor zwakken. Hij geeft zich nooit levend over.”

Door zijn moed en talrijke moordpartijen was Kony Ongwen gaan behandelen als zijn vertrouweling. Nadat ze door het regeringsleger waren verdreven uit Noord-Oeganda, maakte Ongwen zich ook berucht in Congo tijdens de Kerstdagen van 2008 door honderden kerkgangers af te slachten.

Ruzie heeft Kony en Ongwen uiteindelijk uiteengedreven. Kony leidt nog een romp-LRA van een paar honderd man, grotendeels bestaande uit naaste familieleden. De terreurbeweging opereert nu nog in Congo en de Centraal Afrikaanse Republiek. Kony wijkt regelmatig uit naar Soedan, dat hem onderdak geeft.

Afgelopen december ontbood hij daar Ongwen bij zich omdat hij hem ervan verdacht te willen overlopen. Kony martelde hem een week lang. „Tot ik bloed pieste”, vertelde Ongwen, nadat hij had weten te ontsnappen. „Iedereen zondigt op zijn eigen manier”, zei hij na zijn overgave. „Het spijt me als ik een misdaad beging door oorlog te voeren. Ik vond oorlog het beste dat er is. Iedere nacht nog droom ik van oorlog.”