Wij mogen puinruimen. Dat is ’t dan

Wethouder onderwijs

De gemeente Den Haag wil kunnen ingrijpen bij scholen die op omvallen staan.

De basisschool doet het slechter

Als het financieel niet goed gaat met een school, wil Ingrid van Engelshoven kunnen ingrijpen. Maar dat kan de Haagse wethouder van onderwijs (D66) niet. Dat kan alleen de onderwijsinspectie. En dat moet anders, vindt ze.

Van Engelshoven moest eind vorig jaar lijdzaam toekijken hoe het Aloysius College in Den Haag op omvallen stond. Het geld van de middelbare school was bijna op. En zo’n 500 leerlingen dreigden op zoek te moeten naar een nieuwe school. De wethouder ging snel met schoolbesturen in de stad in overleg om te kijken waar de scholieren terecht zouden kunnen. Maar meer dan dat kon ze niet doen.

Inmiddels heeft het Aloysius College geld ingezameld. De school blijft open, vooralsnog. Hoe het er financieel voor staat, weet ze niet exact. Scholen zijn formeel niet verplicht haar op de hoogte te houden.

Daar bent u niet blij mee?

„Als er financiële problemen zijn op een school en kinderen dreigen de dupe te worden, dan wil je precies weten wat er speelt. En iets kunnen doen. Het liefst zou ik zeggen: of jullie het nou leuk vinden of niet, wij sturen een expert die de financiën op orde kan brengen. Maar die doorzettingsmacht hebben we niet.”

Alleen de inspectie kan op zo’n niveau ingrijpen?

„Klopt, maar dat gebeurt niet altijd. Het is ook lastig voor de inspectie, die 8.000 scholen moet controleren. Bovendien moeten ze het ook maar hebben van ‘de werkelijkheid’ uit de boeken. Ze kijken vooral op de korte termijn – redt een school het dit jaar? Bij het Aloysius College was dat volgens hen het geval. Dus de school stuurde vrolijk een brief naar ouders met daarin: wij zijn financieel gezond. Terwijl er na het nieuwe schooljaar geen euro meer op de bank zou staan.”

Weet u wel precies wat er op alle scholen speelt?

„Ik bezoek onderwijsinstellingen regelmatig. We zijn op de hoogte van de inschrijvingen en de leerlingaantallen. We weten hoe het zit met de concurrentiepositie tussen scholen. Dus als het misgaat, kunnen wij het beste inschatten wat de juiste mogelijkheden zijn om een school te redden. Om die reden zeg ik: geef ons de bevoegdheden om in te grijpen.

„Bij het Aloysius College zagen we in 2011 al dat het niet goed ging. De leerlingenaantallen liepen terug, er was te veel personeel in dienst. De uitgaven waren hoger dan de inkomsten. Ik heb de school geadviseerd te fuseren. Dat kun je honderd keer heel vriendelijk vragen. Maar als ze aan de andere kant zeggen ‘daar denken wij heel anders over’, sta je echt met lege handen.”

En moet u lijdzaam toekijken?

„Dat niet alleen. Ik moet tegen huilende leerlingen en boze ouders vertellen dat ik niets voor ze kan betekenen. Ze stonden hier massaal op de stoep om te demonstreren. De mensen zien de gemeente als eerste overheid en denken dat wij verantwoordelijk zijn. Maar dat is niet zo. Het ministerie en de inspectie gaan over het geld en de toezicht.”

Denkt u dat de inspectie u de bevoegdheid wil geven om in te kunnen grijpen?

„Dat weet ik niet. Maar ik wil er wel graag over praten. En op zijn minst intensiever samenwerken. Want we hebben het vaker meegemaakt. Een paar jaar terug zeiden de Nutsscholen in Den Haag opeens dat ze op het punt van faillissement stonden. Zo’n 1.500 kinderen zouden op straat komen te staan. Met een overname is het goed gekomen.”

Wilt u alleen ingrijpen als het financieel niet goed gaat? Of ook als u denkt dat het onderwijs niet deugt?

„Ik wil me absoluut niet bemoeien met lesmateriaal of het pedagogisch klimaat. Dat is niet mijn taak. Maar als het gaat om de continuïteit van het onderwijs, dan vind ik dat we daar wel een rol in moeten kunnen spelen.

„Als een school omvalt, kunnen wij puinruimen. Denk aan de leerlingen, voor wie wij een nieuwe school moeten zoeken. Dat is een klus, er is weinig plek op andere scholen. En je wilt ervoor zorgen dat ouders en leerlingen iets te kiezen hebben en geen andere school opgedrongen krijgen. Je wilt ook rekening houden met kwetsbare kinderen die nu misschien net een goede plek hadden gevonden, maar toch weer op een nieuwe school moeten zoeken. Dat is vreselijk. Ik wil daarom niet langer zeggen: sorry jongens, ik kan niets doen.”