Ricardo Brey tovert je uit het alledaagse

Ricardo Brey, Every Life is a Fire (2010-2015), te zien in de barokke Sint-Pauluskerk, Antwerpen. Foto MUHKA, courtesy Galerie Nathalie Obadia, Paris-Brussels

De kunstenaar als sjamaan, als alchemist – in Nederland kijken we er vaak wat achterdochtig naar, maar in het katholieke België lusten ze er wel pap van. Michael Borremans, Berlinde De Bruyckere, Thierry De Cordier: allemaal kunstenaars die goochelen met de tijd, doden tot leven brengen, hun moderne materiaal begiftigen met een eeuwenoude ziel. In die zin past Ricardo Brey (1955), nu met een grote tentoonstelling in het Antwerpse Muhka, helemaal in de Belgische traditie, al werd hij geboren in Havana, Cuba. In 1992 vroeg Jan Hoet hem om deel te nemen aan diens Documenta in Kassel, Brey kwam naar Gent en ging nooit meer weg.

In het Muhka snap je meteen waarom. Doordat Breys installaties, beelden en tekeningen bijna het perfecte midden houden tussen meer traditionele dramatische, verhalende kunst uit Zuid- en Midden-Amerika en de Belgische nuchterheid van een kunstenaar als Marcel Broodthaers, komt hij mooi uit in het alchemistische midden waar Belgen van houden. En daar komt nog iets bij: waar kunstenaars die zweven tussen twee culturen vaak nogal verloren lijken, lijkt Brey juist op twee plaatsen thuis – hij is een verbinder, geen splijter. Maar bovenal is hij een romanticus: Brey neemt duidelijk geen genoegen met de kale, dorre wereld van alledag, hij gebruikt zijn werk om te ontsnappen naar andere plaatsen, andere tijden. Zijn installaties zitten vol met spullen die al een leven achter zich hebben, variërend van oude beelden en boeken tot vervallen natuur – barsten, verval en blakering.

Wat zijn oeuvre spannend maakt is dat Brey leven in die voorwerpen blaast door slim met tegenstellingen te spelen. Hoewel zijn werk vol vernietiging zit (brand, gaten, roest) is het overduidelijk dat Brey, de kunstenaar, weet dat hij de kracht bezit om vervallen, verloren of vergeten voorwerpen nieuwe kracht te geven. Soms betekent dat dat het leven zich nog maar met moeite staande houdt, zoals in de grote Documenta-installatie waarbij de rechtopstaande glasplaten en de kussens die tegen de muur liggen zich ternauwernood weten te redden tegen het oprukkende vuil. Of in de geweldige ‘dode leeuw’ die in een vitrine plat als een haardkleed ligt te slapen tussen oude paarse slaapzakken – zijn staart piept als een subtiel laatste levensteken nog net naar buiten.

Nog duidelijker wordt Breys kracht in de grote serie ‘dozen’ waarmee een van de grootste Muhka-zalen is gevuld – sommige gesloten, andere (half) open. Iedere doos bevat een heel eigen wereld opgebouwd uit objecten met een onmiskenbaar nostalgische lading: porseleinen ballen, gedroogde bladeren, koperen scharen – je stapt als het ware in de wereld van de ‘kijk-doos’ en wordt vervolgens door ontdekkingsreiziger Brey verder geleid. Daar moet je als toeschouwer voor open willen staan, je moet bereid zijn in de wereld van de alchemist, de sjamaan te geloven – wat voor mensen met een nuchterder inborst soms niet meevalt. Maar wie zijn verdediging laat varen bereikt bijna ongemerkt Breys ‘bodem van de hemel’ – en daar merk je dat je het toch allemaal zelf moet doen, dat Brey weliswaar veel aanreikt, maar dat de meeste interpretatie, de meeste verhalen van jezelf moeten komen – zoveel België en Broodthaers schuilt er nu ook wel in dit oeuvre. Brey maakt onmiskenbaar kunst voor escapisten, maar soms is dat helemaal geen probleem.