Nazaten claimen Duitse kerkelijke kunstschatten

Roofkunst, zeggen de nazaten van handelaren die de Welfenschat in 1935 aan Pruisen verkochten. Niet waar, zegt Duitsland nu.

De buste van Sint Blasius is onderdeel van de ‘Welfenschatz’ en te zien in het Bode Museum in Berlijn. Foto AP/Markus Schreiber

Tientallen vergulde en met juwelen bezette middeleeuwse relikwieën: samen vormen ze de ‘Welfenschat’. De naam verwijst naar een oeroud Duitse adelsgeslacht dat deze verzameling eind 17de eeuw in bezit kreeg. De voorwerpen zijn afkomstig uit de Dom van Braunschweig en zijn een van de meest belangwekkende Duitse kerkschatten. De geschatte waarde bedraagt 220 miljoen euro. Objecten als de koepel-reliekschrijn worden bewaard in het Berlijnse Kunstbewerbemuseum. Ze zijn in het bezit van de aan de Duitse staat gelieerde stichting Pruisisch cultureel erfgoed.

Maar de juistheid van dat bezit wordt sinds 2008 aangevochten door de nazaten van drie Joodse kunsthandelaren die de schat in 1929 kochten van de hertog van Braunschweig. Gisteren begonnen zij een procedure bij de rechter in Washington DC, waarin zij eisen dat de Duitse staat en de stichting Pruisisch cultureel erfgoed de schat retourneert. Tijdens een persconferentie gisteren in Berlijn stelden de Amerikaanse en Britse nazaten van de Joodse kunsthandelaren, die ontkwamen aan vervolging door de nazi’s, dat het hier gaat om roofkunst.

Nadat de kunsthandelaren de schat hadden gekocht, volgde in 1933 de machtsovername door de nazi’s. Hermann Goering, behalve chef van de luchtmacht en voorzitter van de Rijksdag ook premier van Pruisen, kocht de schat volgens de erfgenamen onder druk tegen een fractie van de eigenlijke waarde. Zij beschikken over documenten van de Gestapo waaruit blijkt dat de kunsthandelaren veel van de aankoopsom weer kwijtraakten aan de naziautoriteiten in ruil voor hun vlucht uit Duitsland. Goering presenteerde de collectie vervolgens in 1935 als een verrassingscadeau aan Hitler.

De Duitse autoriteiten zegden na het schandaal rond het opduiken in 2013 van de roofkunst van Gurlitt toe de procedures rond de restitutie van geroofde kunst transparanter te maken. Maar volgens de klagers is rond de Welfenschat het tegendeel het geval. Nadat zij in 2008 de kostbare religieuze kunst hadden teruggeëist, boog de zogeheten commissie Limbach zich over de kwestie. Deze commissie is speciaal ingesteld om te oordelen over betwist kunstbezit. Vorig jaar kwam die tot het besluit dat in het geval van de Welfenschat geen sprake was van gedwongen verkoop en dat er dus geen sprake was van roofkunst.

Het consortium van kunsthandelaren ontving volgens de commissie in 1935 ruim vier miljoen rijksmark, wat volgens de commissie voor toen een redelijke prijs was. Ook zouden zij uit vrije wil hebben gehandeld.

Deze week verklaarde de Stichting Pruisisch cultureel erfgoed dat zij ernaar streeft dat de Welfen-schat de status krijgt van Duits nationaal cultureel erfgoed. Dat betekent in de praktijk dat de schat het land niet meer uit mag.

Volgens de klagers is de betekenis echter alleen maar semantisch en verandert de nieuwe status van de schat niets aan de eigendomsrechten. Of zoals een van de advocaten van de erfgenamen gisteren in Berlijn zei: „De eenzijdige nationalisatie van de collectie door Duitsland verandert niets aan de feiten die wij hebben gepresenteerd en die aantonen dat de kunstwerken, als zoveel anderen uit het bezit van Joden, werd verworven door middel van manipulatie door het Derde Rijk.”

De voorzitter van Pruisisch cultureel erfgoed, Hermann Parzinger, reageerde gistermiddag op de website van Die Welt „verwonderd”. Hij gaat er van uit dat het jarenlange wetenschappelijke onderzoek naar deze kwestie ook de Amerikaanse rechter zal overtuigen. Staatsecretaris Monika Grütters (Cultuur, CDU) was naar eigen zeggen „ontspannen” over de claim. Ze kondigde aan dat de bondsregering de aanbeveling van de Commissie-Limbach zal volgen. „Ons zijn geen nieuwe feiten bekend.”