Mijn cellulitis hangt bij mensen aan de muur

Foto’s van de putjes in je benen of van de onderbroek van je vader – de man voor wie je je vroeger zo schaamde. Wie zijn de fotografen die zichzelf of iemand van dichtbij als onderwerp kiezen? En waarom doen ze dat?

Jikke de Gruijter (24) koos haar vader als afstudeeronderwerp. Na een mislukte operatie belandde die met een dwarslaesie in een rolstoel. Foto Jikke de Gruijter

Hoe overwin je schaamte? Hoe sla je terug als je altijd bent gepest? Anniek Mol (25) is al zolang ze zich kan herinneren „te dik”. En ja, zegt ze, daarmee werd ze gepest. Toen ze op de Kunstacademie in Den Haag (KABK) een serie moest maken bij het thema ‘strijd’ kwam dat gewicht al snel naar voren. „Ik zat niet lekker in mijn lichaam. Nooit gezeten ook.” Eerst ging ze andere dikke mensen fotograferen. Want zelfonderzoek, en dan ook nog in je blootje, dat was wel een heel erg kunstacademiecliché.

Maar de foto’s bleven te braaf en dichtbij komen durfde ze al helemaal niet. „Met het lichaam van een ander ben je voorzichtig. Dan selecteer je toch snel de mooie beelden. Niet die waarop iemand op zijn állerdikst is.” Anniek Mol fotografeerde zichzelf toen dus van voor en van achter en ging daarna met de prints aan de slag. De vetrolletjes op haar rug kregen versiering en ze prikte gaatjes in de cellulitis op haar dijen. „Mensen vinden de foto’s grappig”, zegt Mol. „Ik kan nu ook om de putjes in mijn billen lachen.”

Nieuw is het niet: fotografen die zichzelf, of iemand dichtbij, als onderwerp nemen. Maar veel gebeurt het wel. Zeker onder fotografiestudenten zie je veel persoonlijke projecten. Een willekeurige greep uit de afstudeerprojecten van de afgelopen twee jaar: er was een serie over een vader met een depressie, een vader met een dwarslaesie, en eentje met onaangepast gedrag. Een boek over een moeder die verdween, een oom die verdween, een zieke oma, een zieke neef en zes vrienden met een ziekte. Een publicatie van een fotograaf met ongewone lengte (2 meter 7), iemand die op zoek ging naar zijn roots en een studie naar een verloren liefde.

Waarom? Wie zijn die makers? En hoe zorg je dat het meer wordt dan een privéproject? Anniek Mol wilde graag een statement maken – dáárom ging ze bloot. Maar belangrijker nog: ze zocht acceptatie. „Ik merkte dat er irritaties zaten. Ik werd gepest, moest mezelf lelijk vinden. Maar zo lelijk was ik toch ook weer niet?”

Mol kreeg „heel veel positieve reacties”. Galeries hadden interesse en verzamelaars kochten haar werk. Die verkoop was de ultieme overwinning. „Dat mensen mij aan de muur hangen voelt als goedkeuring. Dat het oké is dat ik er zo uitzie.”

Na de expositie verloor Mol prompt vijftien kilo. „Ik denk dat het van geluk was.”

Fotografie als therapie. Ook andere fotografen geven toe dat een persoonlijk project therapeutische waarde kan hebben. Ze gaan zichzelf en de ander „beter begrijpen” zeggen ze, „meer waarderen” of „de schaamte is weg”. Patricia de Ruijter die lesgeeft aan eindexamenstudenten van de Fotoacademie Amsterdam ziet dat studenten er na afloop vaak anders instaan. „Het werkt helend”, zegt ze. En als je er dan ook nog een bijzonder of succesvol project van maakt, dan geeft dat „kracht”.

Bleek ze toch op haar vader te lijken

Renate Beense (40) studeerde afgelopen jaar af aan de Fotoacademie in Amsterdam. Ze maakte – onder andere – een boek (Gewoon Pa) over haar vader. „Ze zeggen dat ik op hem lijk. Dat was nogal schrikken.”

Haar vader noemt ze „een lastig type”, hij is iemand met soms wat „onaangepast gedrag”. Een man die naakt door huis loopt, zijn onderbroeken laat slingeren. En had hij geen zin om zich aan te kleden dan haalde hij zijn dochter in skipak van school.

Als kind was dat iets waar Beense zich voor schaamde. Gek werd ze er soms van. „Moet je je voorstellen: komen je vriendinnen langs, zit je vader in zijn blootje in de tuin.”

Door haar project, waarvoor ze opnieuw tijdelijk bij hem introk, althans in een tentje in de tuin („hij rookt, dat vind ik vies”), is ze anders naar hem gaan kijken. „Ik zie zijn optimisme. Een vrolijke man die bizarre dingen meemaakt.” En daarmee ook naar zichzelf: „Mijn gekkigheden. Moeite om dingen weg te doen. Ik kan het allemaal meer waarderen.” Mooie bijkomstigheid was dat het project volgens Beense een manier was om hun „relatie te verdiepen”. Je wordt gedwongen heel dichtbij iemand te komen, zegt ze.

Nog een reden om het zo dicht bij jezelf te zoeken is de laagdrempeligheid – obstakels als ‘schaamte’ of iemands vertrouwen winnen, zijn er niet. Beense ziet het project als een heel goede oefening, een manier om in alle rust een eigen stijl te ontwikkelen. „Het is absoluut moeilijker om zo dicht bij een vreemde te komen.”

Frits Gierstberg, voormalig hoogleraar fotografie en hoofd tentoonstellingen van het Nederlands Fotomuseum, noemt precies dat – schroom – als een van de belangrijkste verklaringen voor de populariteit van het egodocument. „Een vertrouwd familielid laat zich veel gemakkelijker fotograferen dan een wildvreemde.” Niet voor niets dus populair als je nog studeert en weinig ervaring hebt.

Daarnaast vermoedt Gierstberg ook dat de populariteit van werk van fotografen als Nan Goldin en Bertien van Manen van invloed zijn. Zij fotografeerden succesvol het privéleven van familie en vrienden.

Verschuilen achter de camera

Renate Beense is succesvol met de foto’s van haar vader: zij werd vorige maand genomineerd voor de Zilveren Camera. De grote bonus, zegt ze, is dat haar therapeutische project ook universele waarden aanspreekt. „De serie doet het goed omdat mensen het ongemak dat je naar je ouders kunt hebben herkennen. Ze identificeren zich met mij.”

Precies dat was het bezwaar dat docenten hadden bij het plan van Jikke de Gruijter (24). Als afstudeeronderwerp koos ze haar vader. Na een mislukte operatie belandde die met een dwarslaesie in een rolstoel. En toen was alles anders: niet alleen voor haar vader, ook voor de toen zevenjarige Jikke. Boosheid en schaamte dat hij zo weinig kon, en het feit dat ze elkaar uit de weg gingen, moest het thema worden. Maar, vroegen docenten, oversteeg dit nu wel haar persoonlijke frustratie? Met andere woorden: was dit meer dan therapie? Jikke – „het werd ook wel een beetje genant, mijn vader kwam in mijn werk steeds terug” – zette door. Omdat ze wist dat ze het goede onderwerp te pakken had. „In de revalidatiezorg is te weinig aandacht voor andere gezinsleden.” Daar wil ze aandacht voor vragen, zo kon ze een particulier onderwerp universeel maken. Bijkomend voordeel: wat er tot nog toe niet van kwam, gebeurde onder druk van haar afstudeerproject wel: ze sprak haar woede uit. „Je kunt je achter een camera verschuilen. Ik durfde veel meer te vragen.” Het contact met haar vader verbeterde. „Hij belt mij nu om te vragen hoe het gaat.”

Neem je je vader in bescherming?

De vraag is natuurlijk, zéker bij zulke persoonlijke fotografie, laat je alles zien? Neem je je vader in bescherming of kun je objectief te werk gaan?

Jikke de Gruijter vroeg haar vader voor haar foto’s en film het onmogelijke te doen: met een grijparm een minuscuul pilletje van de grond pakken (lukt niet) en in zijn rolstoel een parasol inklappen. Ze wist: dat ziet er nogal knullig uit. Maar de beelden moesten erin, omdat dat precies was wat zij als kind zag, waaraan zij zich zo ergerde. De Gruijter: „Ik zag iemand die mee moet doen, terwijl dat helemaal niet gaat.” Haar vader begon bij haar voorstel te sputteren. Jikke drukte door, iets wat ze bij eerdere projecten niet deed. „Dit was een film over mij, hoe ik hém zag.” Haar vader mocht het resultaat pas zien op het moment dat alles af was.

Beense censureerde ook niet. Ze denkt zelfs dat ze verder kon gaan dan bij ieder ander. „Bij een ander had ik die onderbroek op de grond misschien niet gefotografeerd. Of er in elk geval naar gevraagd. Omdat je nooit zeker weet of je dat kunt maken.”

Alles in het leven van haar vader is een beetje stuk. En dus ging ook alles op de foto. „Ik zet mijn vader niet te kakken. Hij ís zo. En hij zit er niet mee.”