Meer dan adrenaline voor klimmers

In Heerlen vindt de vijfde editie plaats van het Dutch Mountain Film Festival. Bergfilmfestivals bestaan al geruime tijd, vooral in de Alpenlanden.

Scene uit Nowhere Place (2014)

‘Het zijn verticale ontdekkingstochten, dat beklimmen van bergen”, zegt Thijs Horbach van het Dutch Mountain Film Festival #5 (DMFF), dat zijn vijfde editie viert in Heerlen. „Bergfilms tonen de klimmers in situaties van uitersten, zwevend op de rand van de dood. In een van de nieuwste films, Cerro Torre over een steenrots in Patagonië, zegt de hoofdrolspeler dat de overlevingskans even groot is – of klein – als ‘a snowball’s chance in hell.’”

Bergfilmfestivals bestaan al geruime tijd, vooral in de Alpenlanden. Van begin af zijn de vertoningen meer dan shots adrenaline voor klimmers. Ook films van nieuwe routes, historische tochten en films over de schoonheid van het berglandschap behoren tot het genre. Met Horbachs collega Toon Hezemans maken we een klimtocht in onze eigen ‘Dutch Mountains’, die van het laaggebergte rondom Heerlen. Hezemans wijst op de donkere pieken om ons heen, het blijken reusachtige afvalhoogtes te zijn van de kolenmijnen. Hezemans: „Op het festival tonen we ook films over de mijnstreek. Hier is het voor ons begonnen.”

Onze klimtocht gaat langs steile paden. Vergeleken met reuzen als Mount Everest, K2, Matterhorn of de Cerro Torre zijn de Limburgse heuvels bescheiden, maar in gezelschap van klimmers Horbach en Hezemans krijgt deze Zuid-Limburgse bergtocht avontuur. Ze klommen in gebergten als de Alpen, Himalaya, Pyreneeën en Andes. Horbachs hoogste top is de Chopicalqui (6.354m) in Peru; Hezemans bewong de fameuze Carstenszpiramide (4.884 m) in de Indonesische provincie Papoea. Maar ook koesteren ze hun tochten in de Limburgse Heuvels.

Het Dutch Mountain Film Festival begon met een film van tien minuten, gemaakt door het tweetal over een klimtocht in de Ardennen. Die werd vertoond voor vrienden. Ze zochten er een tweede film bij: E11 over een Schotse rotsklimmer die een loodrechte wand overwint. Dutch Mountain Film Festival was geboren.

Voor de oprichters begint het avontuur „daar waar je buiten de gebaande paden komt”. In alle films speelt de berg de hoofdrol, maar net zo veelzijdig als bergen zijn, zo afwisselend zijn de films. Groots en majestueus van opzet is Beyond the Edge (2013) van regisseur Leanne Pooley, dat op DMFF zijn Nederlandse première beleeft. Ik krijg enkele sneak previews. Dit zijn niet langer de steenkoolbergen, nee, hier gaat een even adembenemende als ijzige bergwildernis open.

Het is 1953, de Britten hebben haast de hoogste berg ter wereld te veroveren, Mount Everest. Pooley combineert in Beyond the Edge met souplesse historisch beeldmateriaal met een nieuwe speelfilm, waarin acteurs Chad Moffitt en Sonam Sherpa de oorspronkelijke klimmers Edmund Hillary en Tenzing Norgay vertolken. Documentaire en spel vinden elkaar. Spectaculair zijn de beelden van het laatste traject, vlak onder de top, waar plots een bijna onneembare, overhangende steenbrok opdoemt, later Hillary Step genoemd. De klimmers aarzelen. Centimeter voor centimeter vorderen ze, met onder hun voeten de zuigende diepte en boven hun hoofd de wenkende top. Hoogte en diepte: de camera zwenkt heen en weer, met een hallucinerend effect.

In het overwinningsbeeld neemt de regie een opmerkelijke beslissing: de camera zwenkt welbewust weg van de top en dus van de bedwingers, en brengt het berglandschap in beeld met al die achtduizenders. Hiermee geeft de film welbewust geen antwoord op de vraag wie van het tweetal als eerste op de top stond. Was het Hillary? Tenzing?

Heel anders is Cerro Torre (2013) van regisseur Thomas Dirnhofer. Hierin volgen we de Zwitserse alpinist Michel Piola, fameus vanwege de nieuwe routes die hij wereldwijd uitzet. We zien hem met een schroefboormachine aan de gang. Hezemans: „Hij boort zich een weg naar boven.” Dit is zo’n film waar de argeloze toeschouwer zich afvraagt wat klimmers bezielt, in het luchtledige hangend aan touwen, als een krab klauterend tegen overhangende rotsen.

De vertoning op DMFF die beslist tot discussie gaat leiden is Nowhere Place (2014) van de jonge Nederlandse regisseur Susanne Opstal. Klimmer Wilco van Rooijen komt uitvoerig aan het woord over het drama dat zich voltrok op de K2 in de Himalaya. Er vielen elf doden. Hijzelf raakte spoorloos, verkeerde twee nachten in de zone des doods (boven de 8.000m) en werd gevonden. In suggestief getoonzette beelden bij hem thuis zien we zijn zoontje, hangend aan klimtouwen. Dan zwenkt de camera naar Van Rooijens zwartgeblakerde tenen: die waren bevroren. Hij moet ze voorgoed missen. Is het klimmen zo’n offer waard?

„Ik houd zielsveel van bergen”, verdedigt Van Rooijen zijn passie met betraande stem. „Daar begint mijn leven en ben ik dichtbij het goddelijke.”

Opstal wisselt veelvuldig van perspectief: we zien een kandidaat die met de missie Mars One voor altijd naar de verre planeet wenst te gaan, want terugkeer is onmogelijk. Ook monteert zij tussendoor een voice-over die teksten uitspreekt over het heelal en de sterren, over het verlangen op „deze geschifte wereld een blijvende indruk achter te laten” en „de god van Het Al” te zijn. Dan komt de schokkende waarheid: dit zijn dagboekcitaten van de moordenaars op Columbine High School, Colorado 1999. Met bergbeklimmen hebben deze brute daders niets te maken, toch gaat de kijker er aanvankelijk in mee dat het de citaten zijn van een klimmer.

Met terugwerkende kracht krijgt Nowhere Place een griezelige dimensie. Is het gerechtvaardigd de noodlottige beklimming van de K2 op één lijn te stellen met de even fatale gebeurtenissen op deze highschool? In mijn smaak slaat de vergelijking de bergfilm uit balans. Het is een te gewaagde suggestie die Opstal doet. Misschien ligt het antwoord besloten in Van Rooijens onverbiddelijke liefde voor de bergen, ondanks alle opoffering.