Je dokter kent die handige health-app helemaal niet

Elke dag komen er nieuwe zorginnovaties bij. Maar in het ziekenhuis lijkt alles bij het oude te blijven. Dat het sloom gaat, ligt ook aan de dokter zelf.

Illustratie Anne van wieren

Het werk in een operatiekamer is niet altijd even spannend. Een chirurg mag snijden, maar assistenten staan soms urenlang alleen weefsel opzij te houden, of moeten een camera doodstil in de patiënt hangen, met prikkelende armen of kramp tot gevolg. „Toen ik de operatieruimte binnenliep en de assistenten zo bezig zag, dacht ik: dat moet beter kunnen”, zegt ingenieur Joris Jaspers (44), hij werkt als Hoofd Innovatie van Medische Technologie in ziekenhuis UMC Utrecht.

En dat kon.

Jaspers bedacht de Mofixx, een apparaatje dat de operatiecamera vasthoudt, zodat assistenten dat niet meer urenlang hoefden te doen. Inmiddels hebben meerdere academische ziekenhuizen het al gebruikt, en komt het eind dit jaar definitief op de markt.

De Mofixx is maar één voorbeeld van zorginnovatie. Wie zich er even in verdiept, kan online de meest bijzondere en slimme ideeën, apps en medische gadgets vinden. Van een technologisch hoogstandje als een 3D-geprinte schedel tot een app die je bekkenbodemspieren helpt te trainen om urineverlies tegen te gaan. De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen lanceerde deze maand een website met een aantal goede voorbeelden van innovaties „zodat ziekenhuizen van elkaar kunnen leren”, aldus de persvoorlichter.

„Het mooie van innovatie in de zorg is de keuze die je als patiënt of arts krijgt”, zegt Maarten den Braber. Hij is gespecialiseerd in zorginnovatie. „Waar er vroeger maar één oplossing of manier was, zorgt innovatie ervoor dat je kunt kiezen voor de oplossing die het beste bij je past.” Zo kunnen hartpatiënten met een apparaatje hun hartslag thuis opnemen, en de data doorsturen naar het ziekenhuis. „Elke keer een afspraak met de cardioloog maken is zo overbodig, tot er écht wat aan de hand is.”

Zelf voor Google-dokter spelen

Briljant toch? Maar vraag eens na bij je dokter. Grote kans dat hij er nog nooit van heeft gehoord. En wie met een hightech oplossing voor een gekneusde pols bij de dokter komt (‘op internet stond dat dit goed werkte’) krijgt eerder een vermaning om niet zelf voor Google-dokter te spelen, dan dat de arts enthousiast opspringt.

Hoe kan dat?

Los van het feit dat innovaties geld kosten is er nóg een belangrijk aspect waarom het soms jaren duurt voor een nieuwigheid doordringt in de zorgsector, ondanks dat er tientallen platformen, bedrijven en afdelingen zich specifiek richten op zorginnovatie. „Artsen en verpleegkundigen zijn niet gewend zich elke dag af te vragen of hun manier van werken, of hun materiaal, wel de slimste, goedkoopste of efficiëntste is”, zegt Jaspers. Ze doen dingen ‘omdat het nu eenmaal zo gaat’, of omdat het ze zo is geleerd. Jaspers: „Dat is ook logisch, want ze zijn opgeleid om zorg te verlenen, niet om slimme uitvindingen te doen.”

Maarten den Braber: „Dokters werken van nature voorzichtig, ze willen natuurlijk geen kwaad doen. Dus werken ze volgens protocollen en procedures, zo zijn ze getraind.”

Daarbij weet de doorsnee huisarts waarschijnlijk niet eens dat er een nieuwigheidje is uitgebracht. „Er komt zo veel nieuws uit, artsen weten soms niet waar ze moeten zoeken, of welke alternatieven er allemaal zijn.”

Je moet dus maar hopen dat juist jouw arts geïnteresseerd is in nieuwe snufjes voor zijn praktijk. Of dat hij überhaupt ‘bijblijft’ door vakliteratuur te lezen en naar congressen te gaan. „Het klinkt onaardig, maar de huisarts is wat innovaties betreft niet de meest vooruitlopende onder de medici”, zegt Jaspers. „Je bent huisarts, omdat je in de volle breedte de patiënt een goede zorg wil geven.”

Veel onderzoek blijft op de plank

Om toch onderzoek te stimuleren heb je in bijna alle ziekenhuizen wel innovatieafdelingen die zorginnovatie stimuleren. Want juist artsen zijn bij uitstek diegenen die zouden moeten merken waar behoefte aan is. Een longarts van het UMC bedacht bijvoorbeeld een innovatief apparaatje dat bij baby’s longproblemen zoals astma kan opsporen: de ‘Whistler’. Ze gebruikte het zelf naar volle tevredenheid, maar had er geen behoefte aan om het door te ontwikkelen en door te verkopen. Want ja: een arts wil opereren, niet ondernemen. Jaspers: „Niet iedereen heeft de drive om een slimmigheidje door te ontwikkelen tot een product. Veel promotieonderzoek naar nieuwe, betere manieren voor de zorg belanden zo op de plank. Want waarom zou een promovendus iets gaan doen met zijn onderzoeksresultaten? Daar worden ze niet op afgerekend. Ze willen de operatiekamer in.”

Een uitvindersbeloning voor de arts

Toch loont het voor een arts om iets innovatiefs te bedenken. Al is het alleen maar omdat je als uitvinder van een slim idee geld kunt verdienen. Veel ziekenhuizen verstrekken een uitvindersbeloning. „De bedenker van een goed product of idee krijgt een percentage van de winst als het product op de markt wordt gebracht”, vertelt Jaspers.

Wie – al dan niet per ongeluk – iets innovatiefs bedenkt, moet daar zo snel mogelijk een patent of octrooi voor aanvragen, voordat iemand anders met het idee aan de haal gaat. Soms doet de arts dat zelf en noemt zich vervolgens ‘zorgondernemer’, soms doet het ziekenhuis dat voor de arts, en steeds vaker wordt er een derde partij ingebracht die zichzelf inkoopt in het idee. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de Whistler. Een derde partij wilde wel verder met het idee en nu is het apparaatje te koop.

Eén van de lastigste obstakels bij de verkoop van een zorginnovatie vormt de financiële kant. Want voordat iemand geld investeert in een innovatie moet duidelijk zijn wat het oplevert.

Den Braber: „De zorg werkt evidence based, dus met eindeloos testen en meten. Wat je nu ziet, is dat die procedures van testen soms helemaal niet meer passen bij de nieuwste technologie: het zou veel sneller kunnen. Maar zolang innovaties nog niet bewezen sneller, beter of goedkoper zijn, worden ze niet goedgekeurd door de NZA, die oordeelt of een innovatie wel écht effect heeft. En zolang de NZA geen goedkeurig heeft uitgesproken, zal een zorgverzekeraar iets niet vergoeden. Dus daarom kan er jaren overheen gaan voor een medische innovatie daadwerkelijk op de markt komt.

Door deze lange weg zijn er per jaar maar een handjevol uitvindingen die met succes op grote schaal worden toegepast. Ook kun je ervan uitgaan dat elk ziekenhuis wel bezig is met innovatie, maar dat nog stil willen houden voor de ‘concurrenten’, omdat je niet je kans op een octrooi wilt verpesten.

Goedkoop en makkelijk

Eigenlijk zijn er dus maar een paar manieren waarop een innovatie wél kans heeft snel door te breken. Als het goedkoop en makkelijk te gebruiken is zoals een app of een goedkoop hulpmiddel. Het apparaatje dat Jaspers heeft uitgevonden, de Mofixx, was bijvoorbeeld maar een fractie van wat het kost om bij elke operatie een assistent in te huren die het materiaal vasthoudt. Ziekenhuizen hoeven minder assistenten in te huren, dus beslissen zelf dat ze het aan willen schaffen.

Om als patiënt zeker te weten dat jouw arts of ziekenhuis wel de laatste, innovatieve operatiemethodes gebruikt, is niet mogelijk. Je kunt een beetje googelen, of bij je arts vragen of hij de laatste kent. Al moet je daar ook niet doorslaan. Jaspers: „Straks gaat de arts het op jou oefenen.”