Sgt. Stubby

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Ondanks vele trainingssessies in dierenspeciaalzaak Petco (where the pets go) luistert onze hond voor geen meter. Inmiddels twee jaar oud, gedraagt ze zich nog altijd als een puppy die maar niet begrijpt dat ze een weggeworpen object terug dient te brengen. En dat voor een golden „retriever”.

Nee, neem dan Sergeant Stubby, de opgezette hond die ik in het National Museum of American History in Washington zie staan. Trots kijkt hij me aan met zijn kralen oogjes. Aan de muur een foto van hem in een jasje behangen met medailles, samen met korporaal J. Robert Conroy, in naam zijn baasje maar in rang zijn mindere.

Conroy vond de hond in 1917 en noemde hem Stubby vanwege zijn korte staart. Stubby werd de mascotte van het 102de infanterieregiment. Toen de troepen naar Frankrijk werden verscheept, werd hij aan boord gesmokkeld. Omdat hij een saluut kon nadoen, mocht hij blijven. Stubby vocht vervolgens achttien maanden in de loopgraven. Hij nam deel aan 17 veldslagen en raakte gewond in een gasaanval. Toen hij een Duitse spion wist te pakken, werd hij als eerste hond tot sergeant gepromoveerd. Na de oorlog was hij zo beroemd dat hij op het Witte Huis ontvangen werd, alwaar hij de poot schudde met president Coolidge. Toen hij in 1926 overleed drukte The New York Times een advertentie af van een halve pagina.

Honden zijn al eeuwenlang van groot nut in het leger. Vele dingen kunnen ze beter dan mensen: gevaar ruiken, wacht lopen, landmijnen opsporen. Na de aanval op Pearl Harbor werd in Amerika de campagne Dogs for Defense gestart om op korte termijn 125.000 honden te rekruteren. De beroemde filmster en Duitse herder Rin Tin Tin prijkte fier op de poster. In groten getale boden mensen hun viervoeters aan. Er is een hartverscheurende wervingsfoto van een jongetje van een jaar of tien, dat zijn puppy komt aanbieden.

Het land leefde bijna meer mee met de honden dan met de soldaten. Er was destijds een liedje dat zo ging: „Vanuit de kennels van dit land, vanuit huis en haard, hebben we ons gemeld voor het hondenleger, om te doen wat het land moet doen.” Daarna kwam vaak de spijt, althans bij de baasjes. De hond werd vreselijk gemist. Kinderen stuurden zelfgetekende kaarten op de verjaardag van Fikkie en pakketjes met zijn lievelingsbrokjes. Maar de honden zaten in een trainingskamp.

De meeste kwamen niet terug uit de strijd.

Later bleek dat ze werden getraind om vijandige soldaten aan te vallen, waarbij Japans-Amerikaanse vrijwilligers werden gebruikt, en om zelfmoordaanslagen te plegen. Vlak voor de explosieven werden omgebonden werd een foto gemaakt voor het thuisfront. De baasjes kregen een persoonlijke brief, waarin stond dat hun trouwe metgezel als een held gestorven was.

Hier in New Jersey, vlak naast het Vietnam Veterans Memorial, vind je een standbeeld voor deze dappere oorlogshonden. Een soldaat knielt naast een wakkere herdershond. Het bronzen beeld is opgedragen aan alle honden die in het Amerikaanse leger hebben gediend. Zonder enige twijfel en in het volste vertrouwen gingen ze de strijd in. Er staan kransen omheen en er liggen bloemen. En hondenbrokjes.

Op de terugweg koop ik een botje voor onze hond, die me zoals altijd kwispelend bij de deur zal staan op te wachten. Ook al zal ze, wanneer ik haar roep, precies de verkeerde kant op kijken. Ze zou nooit door de militaire keuring komen. Gelukkig.