Column

Politici zouden Alice in Wonderland moeten lezen

Alice is 150 jaar. Tijd voor een Wonderlandpartijtje en Spiegellandfeestje. Over de hele wereld gaan kinderen naar school als de Rups of de Gekke Hoedemaker. Hun onderwijzers organiseren een Tea Party van de onpolitieke soort. Hun moeders kopen Rode Koninginnenkettingen van 510 pond per stuk.

Al 150 jaar heeft iedereen zo zijn eigen Alice. Ze is cultureel icoon en Rohrschachtest in één. De lieve mensen van de wereld hebben een Alice die roze en schattig is. De getroebleerde mensen zien hun Alice surrealistisch, gotisch, psychoanalytisch, softpornografisch. Alice leeft in een sprookje, lees ik hier. Alice is op de vlucht voor de werkelijkheid, lees ik daar.

Te midden van dit alles is mijn eigen Alice een scholier. Een schoolkind dat haar kennis ijverig toepast op het leven. Ze is niet op de vlucht voor de werkelijkheid. Integendeel! Ze trekt de wereld juist in, probeert zich onderweg te herinneren wat ze heeft geleerd en merkt dat alles gaat schuiven en schiften wanneer je de regels toepast op de gevallen. Het is niet de wereld die nieuw is of magisch, het is de botsing tussen leer en werkelijkheid, tussen taal en dingen, die curieus is.

Natuurlijk ligt het schuiven en schiften voor een deel ook aan Alice zelf. Kennelijk heeft ze niet voldoende opgelet op school, want ze herinnert zich de boel halfslachtig. Als ze een gedicht probeert op te zeggen, geeft ze meteen beleefd toe dat de tekst niet helemaal klopt. ‘Not QUITE right, I’m afraid.’ Er klopt helemaal niets van, zegt de Rups. ‘It is wrong from beginning to end.’ Probeer je daar maar eens uit te redden.

Toch komt de verwarring voor het overgrote deel door de taal en de logica. De avonturen van Alice in Wonderland en Spiegelland laten zien dat formele regels kunnen gaan wringen zodra je ze toepast: als je betekenis in de begrippen giet, wordt de redenering al gauw raar. Nu zou niemand buiten de wereld van kinderboek en universiteit wakker hoeven te liggen van dat inzicht, als het niet ook bestuurlijk en politiek van groot belang zou zijn.

In 2006 stelde natuurkundige Freeman Dyson in de New York Review de vraag of een schildpad in de praktijk een hond is. Hij citeerde althans een treinconducteur; die had ooit moeten beslissen of je voor een schildpad een eigen treinkaartje moet kopen, net als voor een hond. De conducteur had na enig denken de knoop doorgehakt. ‘Cats is dogs and rabbits is dogs but tortoises is insects and travel free according.’

Deze rare beslissing kwam niet voort uit de wonderlijkheid van de wereld. Schildpadden waren niet opeens echt insecten geworden. De schildpadden waren alleen insecten voor zover het ging om de toepassing van de regel.

Als je de betekenis van alle woorden kende was dat wonderlijk, maar er viel ook iets voor te zeggen. To be workable, schreef Dyson – om werkbaar te zijn, hoeft een oplossing niet wetenschappelijk of filosofisch consistent te zijn. We hebben in de maatschappij een beetje vrijheid nodig in het toepassen van een regel op een geval.

Dit is volgens mij precies de les van Alice. De wereld is niet echt raar in Wonderland. Die is alleen raar omdat Alice de leer toepast op het leven, waarbij af en toe een staart of een poot uit de vorm blijft steken die er met geen mogelijkheid meer in terug te duwen valt. Die wonderlijkheid leert je de regels van taal en logica beter te begrijpen.

Het boek van wiskundige Carroll over Alice is daarmee een vorm van rationaliteitskritiek. Net zo goed als de recensie van natuurkundige Dyson, waarin hij Daniel Dennett probeert te overtuigen van het belang van ervaringen en verhalen.

Zulke interne kritiek laat zien dat je naast formele argumentaties ook betekenis nodig hebt, inhoud, zin, achtergrond, om de wereld te laten draaien. Dat je vrijheid nodig hebt om oplossingen te vinden die werkbaar zijn. En dat je schildpadden dus soms moeten beschouwen als insecten.

Voor de praktijk van bestuur en regelgeving is dit inzicht van groot belang. Daarom heb ik hier de afgelopen weken vraagtekens gezet bij de claim dat Westerse journalistiek waardenvrij is, bij de bewering dat ICT-opdrachten strikt objectief aanbesteed kunnen worden, bij de Vereniging tegen Kwakzalverij, die zich vastklampt aan een benepen begrip van wetenschappelijkheid en daarom weigert naar de werkelijkheid te kijken.

Maar de allergrootste urgentie heeft de les van Carroll en Dyson op het gebied van de ICT. We zijn hard op weg naar een wereld die wordt geregeerd door afleidingsregels zonder conducteur die betekenis verleent. Dat gaat niet goed. Alle politici ter wereld zouden daarom als de donder Alice in Wonderland moeten lezen, maar helaas is het boek zo grappig dat ze er waarschijnlijk niet mee gezien willen worden.