Nee, V&D, dit is niet de schuld van werknemers

De vakbonden krijgen gelijk. V&D mag niet zomaar de salarissen van het personeel verlagen. De rechter is kritisch: dit is de eigen schuld van V&D. Het personeel mag niet de dupe worden van gretige bedrijfsvoering.

Sanne Oosterhoff, directeur Operations V&D, eerder deze maand, met actievoerders voor een filiaal van het warenhuis. Foto REMKO DE WAAL/ANP

V&D mag de gevolgen van hebberigheid uit het verleden niet zomaar afschuiven op zijn werknemers. Die opmerkelijke conclusie trekt de rechter in zijn uitspraak over de loonsverlaging die de warenhuisketen zijn werknemers wil opleggen.

Gisteren deed de Amsterdamse kantonrechter uitspraak in de zaak die vakbonden FNV en CNV tegen V&D hadden aangespannen. De keten wil het salaris van de circa 5.000 werknemers van de warenhuizen met 5,8 tot 10 procent korten. Het loonoffer geldt niet voor de 5.000 werknemers van de (winstgevende) restaurantketen La Place, die tevens onderdeel is van de V&D Group.

De verlaging van de salarissen is nodig, stelt V&D, om het bedrijf voor faillissement te behoeden. Het bedrijf maakte vorig jaar 49 miljoen euro verlies op een omzet van 604 miljoen.

De rechter stelde de bonden echter in het gelijk. Hij beoordeelde de „door V&D opgelegde loonsverlaging” gisteren als „niet terecht”.

Dure huren brachten problemen

In zijn argumentatie werpt de rechter de schuldvraag op: wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor het feit dat V&D er zo slecht aan toe is? En is het terecht dat de werknemers daar de consequenties van moeten dragen?

Ja, erkent de rechter, het salaris van de ruim 10.000 werknemers van V&D ligt „beduidend hoger” dan in de rest van de branche. Dat is dus duur. Aan loonkosten betaalt V&D maandelijks 9 miljoen euro. Daarnaast zegt het concern ook te veel huur te betalen. Deze twee posten veroorzaken samen een groot deel van het probleem.

Maar, schrijft de rechter, die hoge huren heeft het bedrijf toch echt zélf veroorzaakt. V&D heeft in 2006 en 2007 al zijn eigen winkelpanden verkocht en vervolgens weer teruggehuurd. Dat gebeurde toen het warenhuis in handen was van de vorige eigenaar, investeringsmaatschappij Maxeda. Bijenkorf en Hema, ook eigendom van Maxeda, deden hetzelfde. Nu is V&D maandelijks 8 miljoen euro aan huurlasten kwijt.

De verkoop van die panden leverde destijds 1,3 miljard euro op. De afzonderlijke opbrengst van het V&D-vastgoed is onbekend, maar de rechter gaat uit van „een zeer groot bedrag”. Iemand is daar toen rijk van geworden – en V&D zelf was het niet.

Wie wel cashte, daar is de rechter niet achter gekomen: „V&D heeft niet duidelijk gemaakt aan wie die opbrengst ten goede is gekomen.” Maar die lucratieve verkoop heeft de huidige financiële problemen wél mede veroorzaakt. Als V&D die winkelpanden destijds niet had verkocht, schrijft de rechter, had het bedrijf nu ook niet zo rigoureus op de salarissen hoeven korten.

Het kan niet zo zijn dat loyale V&D-werknemers met „vaak zeer lange dienstverbanden” nu moeten opdraaien voor de gretigheid van de investeerders, zo valt tussen de regels door te lezen.

Tja, willen jullie dan failliet?

V&D is het niet met de uitspraak van de rechter eens en gaat in hoger beroep. De warenhuisketen zegt onmogelijk te kunnen concurreren met „nieuwkomers in de markt”, zoals H&M, Zara, Primark, Forever 21 en Action, aangezien zij „geen erfenissen hebben uit het verleden, zoals hoge huur- en loonkosten”.

De loonkosten móéten omlaag, anders is V&D niet meer te redden en dreigt surseance van betaling of faillissement, zo heeft de winkelketen al herhaaldelijk beklemtoond.

Die „zwaarwegende bedrijfsomstandigheden” rechtvaardigen volgens V&D „de herziene wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden”. Dat de werknemers hier niet aan meewerken is „in strijd met het goed werknemerschap” en „onaanvaardbaar”.

Wanneer het hoger beroep van V&D dient, is nog niet bekend.