Lobbyen voor een vrij internet

In de VS wordt deze week gestemd over de invoering van netneutraliteit. Telecombedrijven zijn tegen, Obama is voor. Achter de schermen wordt keihard gelobbyd.

Illustratie Boudewijn van Diepen

Marvin Ammori ziet een groot gevaar: het vrije, open internet waarmee hij groot is geworden, wordt bedreigd. De plek, zegt de lobbyist en internetactivist uit Boston, „waar niemand wordt voorgetrokken, waar iedereen gelijk is”. Maar om hem heen zag niemand het probleem. Het was te technisch, te ingewikkeld, te saai.

Wat doe je dan? Bellen. De hele dag, honderden telefoontjes. „Ik heb inmiddels voor iedere groep een aangepaste boodschap. De consument, de lobbyist, de politicus. Ik heb geleerd welke woorden werken en welke niet.”

Ammori is verbonden aan de organisaties Demand Progress en Fight for the Future, die zich bezighouden met internetvrijheid. Hij houdt kantoor in Washington, waar hij in een Starbucks-filiaal onophoudelijk aan de telefoon zit.

Hier gebeurt het de komende dagen. De Federal Communications Commission (FCC), een onafhankelijk opererende overheidsinstantie, neemt donderdag een besluit over zogeheten ‘netneutraliteit’. De vraag staat centraal of internet als een dienst van openbaar nut beschouwd moet worden, en onder de wet op de telecommunicatie valt. Het lobbywerk van Ammori heeft succes: vrijwel zeker stemt de FCC voor netneutraliteit.

Een gelijke plek voor iedereen

„Het gaat over de toekomst van het internet”, aldus Ammori. „Is het een gelijke plek voor iedereen, of een plek waar grote bedrijven meer rechten hebben dan kleine?” Internetactivisten, honderden kleine en grote techbedrijven als Google, Facebook, Amazon en Netflix zijn voor regels die netneutraliteit garanderen. Grote internetaanbieders en telecombedrijven als Verizon, Comcast en AT&T zijn tegen.

De vraag waarover de FCC zich buigt, is deze: mogen internetaanbieders de inhoud van sommige sites blokkeren? En: mogen ze bedrijven tegen betaling voorrang bieden? Door het creëren van ‘snelwegen’ kunnen grote bedrijven beter bereikt worden. Daar staat tegenover dat websites van bedrijven die niet betalen, meestal kleinere bedrijven, trager worden. Dit levert de aanbieders niet alleen geld op, het geeft ze ook de macht bedrijven voor te trekken of juist te straffen.

Volgens internetaanbieders zijn regels om netneutraliteit te garanderen niet nodig. Waar het voor-kamp de argumenten voor netneutraliteit verkoopt als een strijd om de vrije meningsuiting, maakt het tegen-kamp er een andere strijd van: die tegen meer regels. Comcast-bestuurder David Cohen schreef op de site van het telecombedrijf dat ze het „in vrijwel alles” met de pleitbezorgers van netneutraliteit eens zijn. Alles wat zij willen, gebeurt in feite al, aldus Cohen.

Onzin, aldus Harvard-hoogleraar rechten Susan Crawford. Netneutraliteit wordt volgens haar nu al geschonden, omdat het mag. In januari 2014 oordeelde een federale rechter dat internetaanbieders bedrijven extra mogen laten betalen voor snelle toegang. Amerikaanse consumenten merkten meteen het verschil, zonder dat ze doorhadden dat het met netneutraliteit te maken had.

Neem YouTube, zei Crawford op radiozender NPR – soms duurt het veel langer voordat een filmpje geladen is. „Je denkt al snel: het ligt aan de app. Of er is iets mis met je computer. In werkelijkheid is het waarschijnlijk de internetaanbieder die YouTube wil pesten, omdat YouTube niet wilde betalen voor snelle toegang.”

Of neem Netflix, de videodienst die op piekuren voor ruim 30 procent van het Amerikaanse internetverkeer zorgt. Netflix is om financiële redenen voor netneutraliteit. Het bedrijf betaalt nu al miljoenen dollars per jaar aan aanbieder Comcast om films sneller te laten streamen (het precieze bedrag is onbekend). Toen Comcast en Netflix hierover onderhandelden, daalde de snelheid van Netflix met ruim 25 procent. Toen de deal rond was, werd de site juist 25 procent snéller.

De zwaai van Obama

De zaak voor netneutraliteit leek vorig jaar min of meer hopeloos. FCC-directeur Tom Wheeler, een voormalige lobbyist van de telecomindustrie, was tegen. President Obama had Wheeler aangesteld en leek daarmee op de hand van telecombedrijven.

In mei vorig jaar schreef Ammori Wheeler een brief: als er geen netneutraliteit kwam, stond „de toekomst van internet” op het spel. Hij gaf zichzelf weinig kans. Het afgelopen jaar gaf het nee-kamp circa 75 miljoen dollar uit aan lobbywerk. Toch slaagde hij erin de brief te laten ondertekenen door grote bedrijven, zoals Google en Netflix. Google is een grote speler: het bedrijf besteedde vorig jaar 17 miljoen dollar aan lobbywerk op Capitol Hill.

Niemand weet precies waarom, maar Obama ging om. Volgens sommige analisten was hij gevoelig voor de argumenten van Silicon Valley. Volgens anderen waren het de ruim vier miljoen Amerikanen die per e-mail pleitten voor netneutraliteit. Actieve internetgebruikers zijn de afgelopen maanden gemobiliseerd door het voor-kamp. Grote sites lieten het beruchte ‘laden’-plaatje zien, waardoor het leek alsof ze te traag waren om te bereiken. Ook de Britse satiricus John Oliver pleitte voor netneutraliteit. Zijn tirade is op YouTube acht miljoen keer bekeken.

Obama sprak zich in zijn State of the Union uit voor strengere regels. Wheeler, die altijd kritisch stond tegenover netneutraliteit, is sinds enkele maanden óók een pleitbezorger geworden. Verdacht, vinden Republikeinen, die morgen een hoorzitting in het Congres organiseren.

Als de FCC overmorgen akkoord gaat met regels voor netneutraliteit, kan de rechterlijke uitspraak van vorig jaar teniet worden gedaan. Dan is het gevecht nog niet afgelopen: het Congres, waar de Republikeinen de meerderheid hebben, kan met eigen regels komen.