Je moet wel ziek zijn volgens het boekje

Hoe bepaal je hoeveel zorg mensen nodig hebben? Op cursus met de wijkverpleegkundige. Nanda kijkt alleen naar feiten.

Wijkverpleegkundige Sandra Tjin (52) verzorgt wekelijks de wond van een van haar klanten. „Hij klaagt steeds over veel pijn”, zegt ze. Tjin moet een diagnose stellen, en dat blijkt best lastig. De klant voldoet namelijk niet aan genoeg symptomen om van de diagnose „acute pijn” te spreken. „Moeilijk”, vindt Tjin. „Betekent dat dan dat ik zijn pijn ontken?”

Welkom bij de cursus vakbekwaam indiceren. In een grote kring bespreken zeventien cursisten de mogelijke diagnoses van hun klanten. „Het echte werk is begonnen”, meldt een Powerpoint-presentatie.

Sinds 1 januari moet voor alle patiënten worden bepaald welke zorg ze nodig hebben en wat ze nog zelf kunnen. Deze zogeheten indicatie is allesbepalend voor de hoeveelheid zorg die een patiënt krijgt. Tot dit jaar maakte het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dat uit, maar nu is het een verplichting voor de wijkverpleegkundige. Bij die belangrijke taak moet ze streng zijn, omdat er zeker 10 procent op de zorg bezuinigd moet worden. En dus moeten de verpleegkundigen op cursus.

In zes lessen van elk vier uur legt docent en wijkverpleegkundige Violieke van Eijk uit hoe het indiceren werkt. Aan het einde van de cursus moeten de verpleegkundigen de indicatie van een klant kunnen beschrijven in een uitgebreid zorgplan. Compleet met mogelijke interventies en meetbare doelen. Vandaag is les vier. Op tafel liggen werkmappen, een dik studieboek genaamd Nanda Internationaal en formulieren met scorelijsten en matrixen.

In Nanda staan allerlei mogelijke verpleegkundige diagnoses. Van acute pijn tot een geheugenstoornis of een sedentaire levensstijl (weinig lichamelijke activiteit). Ook noemt het meer sociale factoren, zoals eenzaamheid of een hervestigingstoornis. Van Eijk: „Nanda heeft geen normen, waarden of gevoel. Om te bepalen wat voor zorg iemand nodig heeft, kijkt het puur naar de feiten.”

Onduidelijk

Een klant krijgt pas een diagnose als zijn situatie volledig overeenkomt met de definitie uit het boek, en als meer dan de helft van de beschreven ‘bepalende factoren’ gelden. Bij een geheugenstoornis geldt bijvoorbeeld de definitie: „Het onvermogen zich bepaalde informatie of gedragsmatige vaardigheden te herinneren.” Een bepalende factor kan dan „verwoorden van vergeetachtigheid” zijn. Is dat niet het geval, dan is er waarschijnlijk wat anders aan de hand.

Sandra Tjin vindt het boek soms nogal onduidelijk. De klant met wondpijn heeft volgens Tjin ook last van hartfalen, maar om die diagnose te kunnen stellen, moet eigenlijk lichamelijk onderzoek worden gedaan. „En dat moet de arts doen. Wat moet ik daar dan mee?”

Jij komt voor de wond, zegt Van Eijk, dus wat doen we dan met de mogelijke diagnose hartfalen? „Parkeren!”, klinkt het vanuit de groep. De woorden parkeren, valideren of elimineren klinken al de hele middag als een mantra door de zaal.

Sociale functie

Het blijkt sowieso best lastig de klachten en behoeften van een klant onder de juiste diagnose te passen. „Ik heb wel 22 verschillende diagnoses”, zegt iemand. „Volgens mij was er bij een klant sprake van een verminderd huishoudvermogen, maar volgens Nanda niet”, zegt een ander. Van Eijk snapt de klachten: „We hadden hier niet echt mee te maken, omdat we werkten vanuit de wens van de cliënt.”

Karin Brans (44) noemt het een „andere manier van denken”. Pittig, vindt ze. „We hoefden zelf niet stil te staan bij de zorg. We vulden gewoon het aantal uren zorg dat een klant hoorde te krijgen.”

„Wat helpt”, zegt Van Eijk, „is constant te vragen: waarom ben ik hier? Dat kun je ook best aan de klant zelf vragen.” Sommige mensen krijgen al jarenlang zorg omdat dat ooit zo bepaald is, vertelt ze. „Maar we moeten ons afvragen of die zorg nog wel nodig is.”

Jacqueline den Boer (46) herkent het: „Een klant in mijn wijk is ooit geïndiceerd voor zorg vanwege reumaklachten. Ze werd drie keer in de week gedoucht en op de dagen dat ze geen zorg kreeg, gingen we langs voor een controlebezoek. Gezellig, een kopje koffie met de zuster, zei ze dan. Ik vond dat daar echt iets van af moest.”

„Heel goed”, zegt Van Eijk. „Reduceren.”

Maar hoe zeg je dat dan tegen een klant, vraagt iemand uit de groep. Den Boer: „Ik zei: als we bij zes mensen tien minuten een kopje koffie drinken, hadden we in dat uur twee anderen kunnen helpen met lichamelijke zorg. Dat snapte ze wel.”

Het kopje koffie zouden de mensen van ouderenzorg uit de wijk ook kunnen overnemen, besluiten de verpleegkundigen. „Volgens mij voelen we ons vaak te verantwoordelijk” merkt iemand op. „Maar mijn gevoel zegt dat we wel dat kopje koffie zouden moeten drinken”, reageert een ander. „We hebben toch ook een sociale functie?”

Natuurlijk, vindt Van Eijk, maar de verpleegkundige is nu budgethouder. „We maken mensen bewust van dat wat ze zelf nog kunnen.”