Griekse crisis houdt aan als EU geschillen blijft verdoezelen

De ‘wet’ van Nederlander André Szász is genegeerd in de onderhandelingen met Griekenland, vreest Ashoka Mody.

Illustratie luojie

Een ongebruikelijke gebeurtenis deed zich voor tijdens de bijeenkomst van de ministers van Financiën van de eurozone op 11 februari. De uitgelekte ontwerpovereenkomst tussen de officiële schuldeisers en de Griekse autoriteiten bevatte milde woorden om iedereen tegemoet te komen. De schuldeisers trokken hun zachtste rode lijn: de Griekse autoriteiten zouden naar hun zeggen ‘de mogelijkheden verkennen om het programma te verlengen’.

Voor de Grieken, met hun weerzin tegen het woord ‘programma’, leek de zinsnede ‘de mogelijkheden verkennen’ een redelijke kwalificatie. Als verdere concessie aan de gehavende Griekse psyche werd de duivelse ‘trojka’ – het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank – niet eens genoemd. Op hun beurt streefden de Grieken naar een ‘overbrugging’, een interim-financiering totdat er een nieuw akkoord zou kunnen worden uitgewerkt. ‘Om de tijd te overbruggen’ leek een geschikte zinsnede.

Het was even schrikken toen de Grieken wegliepen. De ophef nam nog toe nadat op 16 februari ook geen overeenstemming over nog weer een ander stuk papier was bereikt.

In ambtelijke kringen en de financiële pers werd dan ook gejuicht na de overeenkomst van vrijdag 20 februari. Het woord ‘programma’ werd vervangen door de afkorting ‘MFFA’ (van ‘Master Financial Assistance Facility Agreement’ oftewel de steunovereenkomst tussen Griekenland en het EFSF’) of de ‘regeling’, de ‘trojka’ heet nu ‘instellingen’, en ‘om de tijd te overbruggen’ bleef gehandhaafd. Maar met een bankrun in het vooruitzicht – deels bevorderd door dreigementen van de autoriteiten uit de eurozone – heeft Griekenland veel terrein prijsgegeven.

De Italiaanse minister van Financiën Padoan jubelde: „Iedereen heeft gewonnen. Ik zeg dit zonder retoriek: Europa zet hiermee een grote stap vooruit.” Er werden woorden gevonden die iedereen tevreden stelden. Maar vergis u niet: we moeten teruggaan naar de centrale thema’s van schuldverlichting en verminderde bezuinigingen. Weer wordt de geschiedenis van de eurozone overgedaan.

Het begon allemaal in oktober 1970 met het Rapport-Werner, de blauwdruk voor de onvolledige muntunie waarin de eurozone nu opereert. In een reactie op dit rapport sprak Hans Tietmeyer, oud-president van de Deutsche Bundesbank, duidelijke taal. Volgens hem was het ‘een poging het onverzoenlijke te verzoenen’. De flagrante economische en politieke ongerijmdheid van de onvolledige unie – met alle risico’s van dien – kwam de lezer van het Rapport-Werner tegemoet, maar er werden vernuftige woorden gevonden waarmee iedereen kon leven.

André Szász, oud-directeur van De Nederlandsche Bank, gaf een briljante verklaring van dit verschijnsel. In zijn verbluffend inzichtelijke geschiedenis van de onvolledige Europese muntunie formuleerde Szász, die vanaf het Rapport-Werner tot de invoering van de euro nauw bij het overleg betrokken was, de volgende wet. Het rapport was volgens hem: ‘[...] geen compromis in de zin dat de lidstaten hun meningsverschillen bijlegden door elkaar halverwege tegemoet te komen, maar veeleer dat ze instemden met documenten die hen naar hun gevoel de vrijheid lieten hun eigen voorkeur te blijven nastreven.’

Die geschiedenis heeft zich telkens herhaald: woorden en documenten die voor de verschillende partijen een geheel verschillende betekenis inhouden. Maar in de veiligheid van de retorische val blijft dit proces maar doorgaan. De ongerijmdheden blijven zich opstapelen.

Alle internationale overeenkomsten zijn vaag, zullen sommigen misschien terecht opmerken. En die vaagheid is zelfs nodig om uiteindelijk vooruitgang te boeken.

Maar die benadering werkt niet bij de euro. Daarbij zit in de constructie ingebakken een fundamentele belangentegenstelling tussen de aangesloten landen. Geen land is bereid om voor andermans ‘fouten’ te betalen. Het proces mag dan wel doorgaan, maar het lukt niet om de belangen naar elkaar toe te laten groeien.

Integendeel, ook al blijft de economische en politieke druk tijdelijk verborgen, ze hoopt zich op en komt des te krachtiger tot uiting op momenten van crisis. Velen wensten elkaar geluk toen de geschillen bij de invoering van de euro verdwenen achter een behang van woorden. De wet van Szász was een waarschuwing die niet ter harte werd genomen.

Het akkoord van 20 februari heeft het klassieke Europese stempel. De Griekse autoriteiten moeten naar het zegt: „[...] zo goed mogelijk gebruik maken van de geboden flexibiliteit...” Ach! Dat prachtige woord ‘flexibiliteit’. Het is – excusez le mot – zo flexibel. Toen de Italiaanse premier Renzi opriep tot ‘flexibiliteit’ bij de toepassing van de begrotingsregels, was de Duitse bondskanselier Merkel verbaasd. Er wás flexibiliteit in de regels, zei ze.

Griekenland is niet alleen belangrijk omdat de Grieken dringend hulp nodig hebben, maar ook omdat de Griekse regering aandringt op een verandering van de manier waarop Europa zaken doet. Sinds oktober 2009 danst Griekenland naar Europa’s pijpen. Maar uit dat proces is niets goeds voortgekomen. De schuldenlast is gegroeid en de jeugdwerkloosheid is tot bijna 60 procent opgelopen.

En daarmee komen we op een tweesprong. De sterkste daling van de publieke steun voor de EU voltrekt zich onder jongeren. Lange tijd beschouwden de jongeren Europa als een natuurlijk verlengstuk van hun identiteit, hoe ver de schaduw van de oorlog ook verwijderd was. Voor hen is de crisis hard geweest. Velen nemen de wijk.

Renzi en de Griekse premier Tsipras strijden voor dezelfde zaak: strenge bezuinigingen zijn politiek onaanvaardbaar. Ze vertegenwoordigen beiden een generatiewisseling in het leiderschap. Ze zijn beiden geboren lang nadat de wet van Szász Europa ging regeren, lang nadat het normaal werd om compromissen te sluiten in documenten die voor verschillende mensen iets verschillends betekenen. Zij zijn meer bereid om zich af te zetten tegen de eeuwige bezuinigingen en het verlies van nationale waardigheid.

Als Tsipras vanuit zijn armlastige toestand de wet van Szász zo weet te ondermijnen dat hij een zinvolle verlichting krijgt en Griekenland aan soevereiniteit wint, dan zal dit de echte overwinning voor Europa zijn.

Lukt hem dit niet, dan zal de nepverlichting die Griekenland mondjesmaat wordt geboden nog meer bezuinigingen met zich meebrengen. En zoals de Amerikaanse president Obama onlangs waarschuwde: „Je kunt geen landen blijven uitknijpen die midden in een crisis zitten.”

De patstelling zal dan escaleren, waarbij toekomstige oplossingen steeds duurder worden. De Griekse tragedie zal zich nog verder buiten haar grenzen verspreiden en de Griekse beproeving zal zich voor Europa net zo lang herhalen tot het de juiste antwoorden geeft.