Bij de late Rembrandt leerden ze het vak

Nicolaes Maes ging in 1650 in de leer bij Rembrandt. Het offer van Abraham schilderde Maes in 1653. Kingston, Ontario, Agnes Etherington Art Centre, schenking

Bij kunstenaars met een opvallende late stijl denk je al snel aan eigenzinnige, hoogbejaarde grijsaards. Zo werd de beeldhouwer Donatello tachtig jaar oud, en de schilder Titiaan bereikte en nog hogere leeftijd. Maar Rembrandt was nog maar een vroege zestiger toen hij in 1669 overleed en de periode van zijn ‘late stijl’ begint omstreeks 1650 toen de kunstenaar nog geen 45 was: een man in de kracht van zijn leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij, al was het maar voor de inkomsten die dat met zich meebracht, ook in die periode jongere schilders in zijn atelier opleidde.

Aan de hand van zo’n negentig tekeningen en schilderijen laat het Rembrandthuis zien wie die leerlingen waren en hoe hun werk eruitzag. Er moeten in de laatste twintig jaar van Rembrandts leven ten minste veertien schilders in diens Amsterdamse atelier hebben gewerkt: van talenten die zelf zouden uitgroeien tot grote meesters, zoals Nicolaes Maes en Arent de Gelder, tot zijn eigen, vroeg gestorven zoon Titus en schilders die nu alleen nog bij naam bekend zijn.

Sommigen volgden het voorbeeld van hun leermeester, zoals de leerling die Rembrandts beroemde Portret van Saskia van Uylenburgh kopieerde, maar in een vlakkere, minder uitgewerkte stijl dan het origineel uit 1634. Of Johannes Raven van wie een tekening wordt getoond die duidelijk is gebaseerd op een schilderij van Rembrandt met de oudtestamentische heldin Esther. In snelle halen van de pen heeft Raven de exotische koningin neergezet. En Abraham van Dijck schilderde een duttend, kabouterachtig mannetje, dat met zijn gegroefde gelaat en grijze baard bijna een karikatuur is van Rembrandts tronies van oude mannen.

Rembrandt had ook leerlingen die zich later nadrukkelijk van zijn voorbeeld zouden afwenden. De van oorsprong Duitse schilder en geleerde Gottfried Kneller bijvoorbeeld, had naar verluidt weinig op met Rembrandts losse schilderstijl. Na zijn leertijd in Amsterdam maakte hij furore in Engeland waar hij zich ontwikkelde als portrettist in de elegante, classicistische Franse traditie. Een tekening in rood krijt van een onbekende jongen in Romeins fantasiekostuum, poserend naast een grote bloemenvaas, is er een mooi voorbeeld van.

Dergelijk werk roept de vraag op hoeveel de ‘late leerlingen’ zich eigenlijk gelegen lieten liggen aan de toentertijd weinig modieuze ‘late’ Rembrandt. De meeste leerlingen hadden de grondbeginselen van het schildersvak al elders geleerd en zullen vooral zijn aangetrokken door Rembrandts veelzijdigheid en zijn beheersing van de verschillende genres, zoals portretten, landschappen en historiestukken.

Het probleem van de sterk uiteenlopende stijlen van de leerlingen is in de tentoonstelling handig opgelost. De aandacht richt zich op het zeventiende-eeuwse atelier en de onderdelen van het schildersvak die er werden onderwezen, zoals het werken naar ontwerpen van de meester, het opzetten van composities en figurengroepen en het weergeven van emoties.

Het feit dat Rembrandt zijn ‘vroege’ leerlingen, zoals Ferdinand Bol en Gerbrandt van den Eeckhout, in grote lijnen niet veel anders zal hebben opgeleid, doet niets af aan de aantrekkelijke manier waarop de tentoonstelling de vaak onbekendere late leerlingen in het zonnetje zet.