‘Zout op mijn huid’ op toneel eerder doods dan erotisch

Hartstochtelijk en met oog voor detail beschreef Benoîte Groult in haar roman Zout op mijn huid de levenslange liaison van een intellectuele Parisienne met een eenvoudige Bretonse visser. Veel te melden hadden ze elkaar niet, maar hun lichamen voerden tegen alle conventies in de meest vurige gesprekken. In de theaterversie klinkt hun zinderende duet echter meer als een requiem dan een opwindend hooglied.

In hun tekstbewerking benadrukken Heleen Verburg en regisseur Mirjam Koen vooral de melancholische toon uit het boek. Ze beginnen met de begrafenis van de zeeman, waarna zijn geliefde met donkere zonnebril (José Kuijpers) als verteller verdrietig terugblikt. Kuijpers deelt vrijuit seksuele escapades, maar haar monotone verteltrant verraadt meer een gevoel van gemis dan van goddelijke verrukking. Een zin als „Ik ben het verschrompelde overblijfsel van een droom” geeft de sfeer weer. Op de achtergrond spelen droeve pianoklanken.

Dragan Bakema en Sophie van Winden proberen de wellust van weleer te illustreren. Ze storten zich als jonge geliefden wild op de tafel en bar van een Frans café. Wat lichamelijkheid betreft zijn zij meteen geloofwaardig als de woest gespierde zeeman en welgestelde schone. Maar de afwezigheid van aantrekkingskracht tussen beiden vormt een probleem. Misschien durven ze het niet aan of contrasteert het realistische spel van Bakema teveel met het groteske trillen van Van Winden, maar er wil tussen beiden maar geen vonkje smeulen. Hoe hard zij ook roept: „Mijn kut staat in brand!”