Wat doe je als je verliefd wordt op een niet-moslim?

Hoe kun je een goede moslima zijn én vrijelijk in de moderne wereld leven? Door een dubbelleven te leiden, óf door Oost en West te mixen. Schrijfster Naema Tahir legt in haar boek kanten bloot die sommige moslims liever verborgen houden.

Foto thinkstock

Voor westerse ongelovige vrouwen is het leven relatief makkelijk. Gooi die hoofddoek toch af, kunnen ze tegen moslimvriendinnen zeggen. Jaag je dromen na. Doe wat je wilt! Maar wat is de prijs? Voor de onafhankelijke, ongelovige vrouw is die prijs gering. Voor de onafhankelijke moslima ligt dat anders. In het boek Gesluierde vrijheid beschrijft Naema Tahir, schrijfster en mensenrechtenjuriste, hoe moderne moslima’s omgaan met de hedendaagse werkelijkheid.

Tahir was columniste voor deze krant en in het televisieprogramma Buitenhof. Ze woonde in Engeland, Nederland en Pakistan, en ze beschrijft de evenwichtskunst die het vergt om de oosterse en westerse werelden te combineren.

Hoe beweeg je je als moslima in een volkomen westerse werkomgeving, waarin mannen en vrouwen vrij met elkaar omgaan? En in een thuissituatie waar vrouwen worden geacht afstand te houden tot niet-verwante mannen.

Wat doe je als je verliefd wordt op een niet-moslim? Is er een manier om jezelf de liefde te gunnen en ook je ouders en familie niet van je te vervreemden?

Veel moslima’s leiden dubbellevens

Niet alle moslima’s kiezen voor deze evenwichtskunst. Een deel breekt met het Oosten en kiest voor het Westen. De prijs is dat ze soms met familie en gemeenschap moeten breken, wat veel verdriet en ellende oplevert. Een ander deel kiest ervoor een goede moslima te worden, zoals verwacht wordt, en zich te schikken in haar rol. Dat biedt rust en zekerheid. Nadeel is dat er weinig ruimte is voor persoonlijke keuzes en ontwikkeling.

Er is een grote, groeiende groep die in beide werelden leeft. En dat kan ver gaan. Yasmin, dochter van Pakistaanse migranten, woont in een Britse arbeiderswijk. Elke ochtend stopt ze op weg naar haar werk om haar lange jurk en sluier te verwisselen voor jeans en een trendy truitje. Op de terugweg het omgekeerde ritueel. Haar collega’s zien haar als volkomen Brits, ze lacht om grapjes over moslims en bij de vrijdagmiddagborrel, doet ze alsof ze een biertje mee drinkt (dat ze stiekem weggooit). Wie denkt dat dit sporadisch voorkomt, komt bedrogen uit. Ook in Nederland leven veel moslima’s dubbellevens. Jonge meisjes die gesluierd en zonder make-up naar school vertrekken en daar met korte rok, losse haren en lipstick aankomen. Volwassen vrouwen die soms hun huwelijk met een niet-moslim-man verborgen houden voor hun ouders.

Is een hoofddoek zo onderdrukkend?

Tahir beslecht nogal wat vooroordelen. Rondom de hoofddoek bijvoorbeeld, geliefd onderwerp van vele niet-moslims die de doek als vrouwonderdrukkend zien. De werkelijkheid is genuanceerder.

Tahir beschrijft hoe ze, bijna veertien, in Pakistan gaat wonen, het land van haar ouders. Ze moet er niet alleen een hoofddoek dragen als ze naar de koranschool gaat, maar altijd als ze buitenshuis is. Een plicht waar ze grote moeite mee heeft, maar gaandeweg ziet ze daarin ook vrijheid. Zolang Pakistaanse vrouwen een sluier dragen in aanwezigheid van vreemde mannen, kunnen ze zich vrij bewegen. Onder een boerka kan een vrouw zelfs bij wijze van spreken naakt zijn, of sexy lingerie dragen.

De hoofddoek, zegt Tahir, is steeds meer een zaak van de vrouw geworden. De vroegere Pakistaanse premier Benazir Bhutto droeg haar sluier losjes, een deel van haar haar was zichtbaar. Ze combineerde traditionele kleding met een blazer en soms een baseballpet. Oosters met een westers tintje. En daardoor acceptabel voor beide kanten.

Ook in Nederland combineren jonge moslima’s de sluier steeds vaker met skinny jeans. Ze laten met hun hoofddoek zien dat ze hun religie serieus nemen, én modern zijn. Ze bepalen zelf waar de grens ligt en of ze die respecteren. Intrigerend is het hoofdstuk over het genotshuwelijk (nikah mut’a), een fenomeen dat weinig niet-moslims zullen kennen. Vóór het huwelijk samenwonen om elkaar te leren kennen, mogen moslims niet. Maar een tijdelijk huwelijk sluiten mag volgens sommige moslims wél. Het idee wordt volgens Tahir populairder omdat je zo deelneemt aan het moderne leven zonder de regels van het geloof te overtreden.

Dat fenomeen heeft ook nadelen. Zo mag een man gelijktijdig verschillende tijdelijke huwelijken sluiten en een vrouw maar één. Maar bij wederzijdse toestemming en vertrouwen kan het goed werken. Niet zelden trouwen de man en vrouw na een tijdelijk huwelijk ‘echt’, net als veel samenwonende niet-moslims. Het is een van de vele punten waarin Tahir tot nadenken aanzet, want wat is eigenlijk nog het functionele verschil tussen die twee manieren?

Een moderne, maar echte islam

Tahirs uiteenzetting over het genotshuwelijk zal, net als haar boek, instemming én weerzin oproepen binnen de Nederlandse moslimgemeenschap. Het legt kanten bloot die sommige moslims liever verborgen willen houden. Daarnaast zal de moderne kijk op de hoofddoek, op het gearrangeerde huwelijk, op de vrijheid van de moslima niet door alle Nederlandse moslims gewaardeerd worden. Maar het zal ze – hopelijk – de ogen openen voor de opkomst van een moderne, min of meer westerse, maar even echte islam als die van overzee.

Hetzelfde geldt voor niet-moslims: speciaal voor hen zijn de ‘tien geboden over moslima’s en zelfbeschikking’ bedoeld. Zouden zij die stellingen serieus nemen – ‘Stel je Simone de Beauvoir voor met een hidjab (hoofddoek) om’ en ‘de hoofddoek is veel meer een symbool van religie dan van kuisheid’ – dan kan het debat over, met en tussen de islam en moslima’s naar een hoger plan worden getild.