Radicaal sober en psychologisch spannend

Christophe Dumaux, Sophie Karthäuser enAnn Hallenberg in HändelsTamerlano, vanaf morgen te zien in de Stadsschouwburg Amsterdam Foto de munt/la monnaie

In het Zweedse Drottningholm bevindt zich het Slottsteater, het oudst bewaard gebleven baroktheater ter wereld. Hier mocht Pierre Audi in 2003 Tamerlano van Händel en kort daarna ook Alcina regisseren, op voorwaarde dat hij de (kopieën van) oorspronkelijke decors zou gebruiken. Het werd een intrigerende ontmoeting tussen oude aankleding en nieuwe regie – nu als double bill voor de tweede maal hernomen in Brussel en Amsterdam.

Audi beschouwt Tamerlano als een sleutelmoment in zijn carrière: door het decor veelal tot een sober paleis met veertien pilasters te beperken en deze aan het slot te laten wijken voor de kale houten achterwand, ligt alle nadruk op de personenregie. De in 18de-eeuwse kledij gestoken zangers bewegen om en rond elkaar en duiken voortdurend uit een van de twaalf coulissen. Händels strenge schema van op en af, waarbij elk personage voor zijn eigen aria’s het podium krijgt, wordt doorbroken. Als in een droom doemen antagonisten en geliefden voortdurend voor de zanger op, hetgeen de psychologische spanning verhoogt.

Maar dat blijkt in extremis voer voor esthetische puristen, die kunnen genieten van elke frons en freeze in het koningsdrama. De dapper radicale versobering creëert dusdanig veel tijd voor de spanning tussen Tatarenleider Tamerlano (een virtuoze maar zachte countertenor Christophe Dumaux), de gevangen Bajazet (een vooral in de waanzinscène overtuigende Jeremy Ovenden) en diens dochter Asteria, dat het van de weeromstuit een beetje saai wordt.

Het helpt niet dat dirigent Christophe Rousset, zelfs ondanks felle accentuering en snelle crescendi, neigt naar een ploegend tempo. Uitstekende zangers als Sophie Karthäuser (de opstandige Asteria) en Ann Hallenberg (de fraai deemoedige prinses Irene) konden zich niet geheel uit die verticale benadering lostrekken. En de balans was problematisch: wie verder van het podium zat, kreeg de indruk dat ensemble Les Talens Lyriques een celloconcert met zangbegeleiding uitvoerde.

Alcina werd in Brussel een dag later op vele fronten een verbetering. In zijn tweede Drottningholm-show maakte Audi gretiger gebruik van de snelle katrollen: paleis, bossen, wolkjes. Een plotse omkering van de decorwanden vindt plaats als de idyllische eilandillusie van tovenares Alcina doorbroken wordt – een fraai symbool. En de barokke gebaren van de personages zijn subtieler en minder pathetisch dan in Tamerlano.

Daar komt bij dat de huidige cast in de exceptionele tweede akte imponeert en zelfs Rousset weet mee te slepen. Mezzosopraan Maité Beaumont is in de castratenrol Ruggiero overrompelend als de door Alcina betoverde krijger: ze wisselt met innige overtuiging tussen heroïek en omfloerste weemoed.

Een absoluut hoogtepunt levert de – opmerkelijk genoeg in de rol debuterende – sopraan Sandrine Piau in Alcina’s centrale aria Ah! mio cor. Door Ruggiero de wacht aangezegd slaat bij Alcina de woede vooral naar binnen, resulterend in een zinderend gezongen pianissimo waarmee de tijd wordt stilgezet. Audi laat het podium met strategische timing nu helemaal leeg, op een kale troon na die ook in Tamerlano figureert: de eenzaamheid van de macht is totaal.