Het literaire wereldje is klein, ziek en jaloers

Vrijheid is: het recht jezelf krachtig tegen te spreken en steeds van mening te veranderen. Dat verklaart waarom Rodaan Al Galidi moeilijk greep krijgt op zichzelf.

Illustratie Enkeling

Naar Zwolle ging ik om Al Galidi te interviewen. Aan de telefoon had ik hem gevraagd of hij naar Amsterdam wilde komen, maar zijn flauwe antwoorden, zo zei hij, waren het niet waard om ervoor van Zwolle naar Amsterdam te reizen.

„Voor mij wel”, bracht ik ertegen in.

„Dan moet jij er maar voor reizen.”

Met een oude omafiets stond hij mij op te wachten bij het station. Van zijn kin tot zijn voeten bedekt in dikke kleren, ondanks een warm winterzonnetje.

„Een boer uit Ens zei eens tegen mij dat er geen slechte winter bestaat, maar alleen slechte kleding”, zei hij. Ik was blij met dit positieve begin en was verheugd, omdat hij mij naar zijn werkplek zou nemen, waar nooit een journalist was geweest.

„Best mooi, Zwolle”, zei ik, terwijl we door de stad liepen.

„Zwolle is een stad in de zomer en een dorpje in de winter. In 2006 werd het verkozen tot de groenste stad in Europa. Voor mij dus de slechtste stad, met mijn hooikoorts.”

Weten de Zwollenaren dat jij een schrijver bent?

„Nee, ze hebben mij nooit zien schrijven.” Hij lachte hard om zijn eigen grap.

Ik bedoel: hebben ze jouw boeken gelezen?

„Zes mensen lezen mijn boeken in Zwolle. Als er een nieuw boek uitkomt, moet ik het kopen voor zes mensen, van mijn eigen geld. Zwolle is de stad van de Blauwvingers, omdat de Zwollenaren vroeger blauwe vingers hadden van het centjes tellen. Erg zuinig dus. Zwollenaren geloven dat je op z’n minst jouw boek voor ze moet kopen om het te lezen. Eerst geld betalen en er daarna tijd in te steken om het te lezen, dat is te veel.”

Zijn werkruimte is een oude schuur. Hij herbouwde die om ’m op een studio te laten lijken, maar het lijkt nog steeds op een schuur. Aan de deur hangt een klein bordje: La Bastille.

„Het moderne Europa komt voort uit La Bastille”, legde hij uit, toen hij mijn verbazing zag. „Ik vang mezelf in deze schuur, zodat altijd de nieuwe Rodaan eruit tevoorschijn komt. Ik liet mijn ogen gaan over de boeken in de boekenkast. Naast enkele dichtbundels en romans stonden er voornamelijk thrillers en biografieën. Er stonden levensverhalen van dictatoren, profeten en geestelijke leiders. Ik zag boeken over Stalin, Hitler, Mussolini, en over Jezus en Nelson Mandela, en een flink aantal over Boeddha.

„Wat een verschillend rijtje namen”, zei ik. „Die biografieën gaan over engelen of over duivels.”

„Inderdaad. Zwart of wit. Dat geeft mijn fantasie de kans om de andere kleuren tussen dat zwart en wit te verzinnen. We hebben niet veel tijd, slechts honderd jaartjes. Te weinig. Je hebt vijfhonderd jaar nodig om van elk strand op aarde te kunnen genieten, en duizend jaar om alle problemen op te lossen. Ik besloot niet te veel boeken in mijn hoofd te hebben, of in mijn boekenkast. Dan kost het me niet te veel tijd van die honderd jaartjes.”

Veel mensen denken dat het leven te lang is en de tijd te langzaam gaat.

„Soms voel ik dat ook. Want de nare gedachte dat je, van die honderd jaar, een groot aantal van negen tot vijf naar die lelijke gezichten van collega’s moet kijken...” De rillingen lopen hem zichtbaar over de rug. „En hoeveel jaren betaal je om het nieuws te volgen? Om achter Facebook te zitten om vrienden toe te voegen of te wissen?”

Nu zeg je iets anders dan daarnet. Verander je altijd zo snel van mening?

„Zeker. De grootste vrijheid voor ons als mensen is de vrijheid om van mening te mogen veranderen. Tolstoj leerde mij dat.” Hij wijst naar een poster aan de wand van een oude man met een witte baard en vertelt hoe Tolstoj met iemand zat toen er een paar soldaten langsliepen. „Kijk”, zei Tolstoj. „Hoe stom zijn die soldaten. Het enige wat ze doen, is hun kleren vullen en hun spieren spannen met een verkeerd idee over eer.” De soldaten waren nog maar net gepasseerd, of Tolstoj zei: „Kijk hoe mooi die soldaten. En hoe sterk. Geen enkel lui of laf celletje, elk moment zijn ze vol leven en elk moment klaar om te doden.”

„Laten we teruggaan van Tolstoj naar jou”, zei ik na dit verhaal.

„Van Tolstoj terugkeren naar mij is als terugkeren van een viool naar een brommer.” Weer zie ik dat Al Galidi kan lachen om iets, waarvan ik niet weet waarom het grappig is.

„Je lacht graag”, zei ik.

„Geleerd van mijn vader. Hij lachte soms opeens. Zomaar. Ik weet nog dat wij hem eens vroegen waarom hij lachte. Hij vertelde dat hij een week geleden een man een stier vooruit zag trekken. Nu zei hij: ‘Zag ik een man die een stier trok, of een stier die een man trok, of twee stieren? Is dat niet grappig?’ En weer moest hij lachen. Mijn moeder dacht dat mijn vader gek was zo te lachen zonder reden, maar ik ontdekte dat mijn vader nooit de lach in zichzelf probeerde te verlammen. Hij lachte ook als hij alleen was en was nooit bang dat iemand dacht dat hij gek was. Een paar dagen later ontplofte ook ik zomaar van het lachen, omdat ik dacht aan mijn vader, de man en de stier. Zo heb ik leren lachen.”

Hoe kijk je naar het Midden-Oosten, de ontwikkelingen daar? Dat is niet echt om te lachen, toch?

„Laten we zeggen dat de jihad van het Midden-Oosten de beste riolering van Europa heeft gemaakt, waar alle jihadisten naartoe stromen. Ik vind het jammer dat alle westerlingen praten over het gevaar voor hun burgers als die jihadisten terugkeren, maar dat niemand zijn excuses aanbiedt aan het Midden-Oosten voor die bloederige jongens en meisjes, die daar mensen onthoofdden. Ze zijn toch Europese burgers?”

Is er hoop voor het Midden-Oosten? Op een beetje vrede?

„Het probleem tegenwoordig, niet alleen in het Midden-Oosten, maar in de hele wereld, is dat de mensen bang zijn voor iets dat anders is. Vroeger leidde het verschil tussen mensen tot nieuwsgierigheid. Nu leidt het tot angst.”

Ik wilde meer weten over het Midden-Oosten en wat hij ervan vond, maar hij wilde het er niet over hebben. „Ik hou niet van politiek”, legde hij uit. „Vooral westerse politiek in het Midden-Oosten. Toen het Midden-Oosten vrede nodig had, kreeg het George Bush, en nu de oorlog een noodzaak is, is er Obama.”

Ook jij wilt dus het Westen beschuldigen van wat daar gebeurt.

„Als ik het Westen niet beschuldig, wie dan? Star Trek?” Hij wilde er niets meer over kwijt. „Laten we het niet over politiek hebben. Ik praat liever over literatuur.”

Je laatste, prachtige, inspirerende, weergaloze, literaire, fantastische, originele, bijzondere, vredige, spirituele, grappige, diepzinnige roman Bloesemtocht stond tot mijn grote verbazing niet op de longlist van Libris, vind je dat erg?

„Helemaal niet. Als het aan mij lag en niet aan de uitgever zou ik mijn boeken helemaal niet naar Libris-, AKO- of VSB-prijzen sturen.”

Waarom niet?

„Dat zijn prijzen voor Nederlandse literatuur. Ik schrijf wereldliteratuur.”

Je bent niet zo te spreken over de Nederlandse literaire wereld.

„Het is een klein, ziek wereldje vol jaloezie, netwerken en vriendjespolitiek. Neem bijvoorbeeld de literaire prijzen. AKO, een winkel. Libris, ook een winkel. VSB, een bank. De belangrijkste prijzen in de Nederlandse literatuur voor proza en gedichten komen van een winkel of een bank. Kun je je voorstellen hoe belachelijk dat is? Ideeën voor nieuwe prijzen, zeg je? … De Al Galidi-prijs voor de beste roman van het jaar, de Harry Mulisch-prijs voor het beste kookboek, de Elsbeth Etty-prijs voor de beste Ouwehoer en de Heleen van Rooijen-prijs voor de beste literaire tampon.”

Een laatste vraag, Al Galidi, wat waardeer je het meest aan de Nederlanders?

„Dat ze heel georganiseerd zijn.”

En wat ergert jou het meeste aan de Nederlanders?

„Dat ze heel georganiseerd zijn.”

Ik bedankte Al Galidi en zag op de weg naar buiten aan de binnenkant van de schuurdeur het volgende gedicht van hem hangen:

Als het einde van de wereld komt,/

wil ik in Zwolle zijn./

Want hier komt alles/

een kwart eeuw later.