Fijne druppels uit de drakeneus

Joachim Anthonisz Wtewael, Mars, Venus en Cupido (ca. 1610) Foto StichtingP. en N. de Boer,Amsterdam

Met de neus er bovenop, anders mis je een hoop: voor de expositie van schilderijen van de Utrechtse schilder Joachim Wtewael (1566-1638) moet je de tijd nemen. Neem zijn Perseus en Andromeda uit 1611. Het bijna twee meter hoge doek toont de beeldschone, naakte prinses vastgeketend aan een rots. Volgens het verhaal in Ovidius’ Metamorfosen offerden haar ouders haar aan een zeemonster om de toorn van de zeenimfen af te wenden. De figuur van Andromeda neemt, in een bevallige pose aan de linkerkant van de voorstelling, bijna de hele hoogte van het werk in beslag. Maar het oog van de beschouwer wordt al snel gelokt door details in de voorgrond: skeletten van eerdere slachtoffers van het monster en exotische schelpen. De achtergrond bestaat uit een weids kustlandschap dat klassieke en middeleeuws aandoende gebouwen combineert.

Rechtsboven komt Andromeda’s redder, Perseus, met geheven zwaard op zijn gevleugelde paardje aangesuisd. Hij is klaar om de strijd aan te binden met de gevleugelde draak met kronkelstaart. Op foto’s van het schilderij is bijna niet te zien hoe uit de neusgaten van het dier waterdruppels spuiten, minutieus geschilderd als twee fonteintjes van witte stippen.

Dit soort details maakt Wtewaels werk een feest voor oog, in kleine schilderijen nog meer dan in grote. Als een van de Nederlandse ‘maniëristen’, die aansloten bij de inventieve en oneindig gevarieerde stijl van Haarlemse meesters als Bartholomeus Spranger en Hendrick Goltzius, koos hij vaak mythologische onderwerpen. Die vormden aanleiding om er eens goed voor te gaan zitten om de vaak zinnelijke liefdesverhalen, met veel naakte figuren uit te beelden.

Relatief kleine voorstellingen, soms geschilderd op een spiegelgladde koperplaat die de gelegenheid bood uiterst fijne details te schilderen, zijn misschien de indrukwekkendste in de tentoonstelling. Zo is er een drie decimeter hoge Bruiloft van Peleus en Thetis (1602) die krioelt van meer dan honderd naakte figuren in alle denkbare houdingen. Als om de afstand tussen de goden- en de mensenwereld te benadrukken heeft de schilder aan de onderrand van de voorstelling een blauwachtig vergezicht op een werelds landschap toegevoegd.

Met zo’n veertig schilderijen en twee handenvol tekeningen vormt de, in warme kleuren en met uitgekiende belichting, prachtig vormgegeven expositie, het eerste overzicht van het werk van Wtewael. Duidelijk wordt dat hij later ook minder uitbundige taferelen met grotere figuren, zoals Bijbelse onderwerpen en keukenstukken, in beeld bracht.

Zijn Zelfportret, dat hij als pendant van het portret van zijn vrouw Christina van Halen, schilderde in 1601, toont Wtewael op 34-jarige leeftijd als een knappe, schrandere en goedgeklede verschijning. Het opschrift ‘non gloria sed memoria’ (niet uit roemzucht maar ter herinnering) duidt wellicht op de rigoureuze protestantse opvattingen die de geportretteerde er op na hield. Maar het is moeilijk te geloven dat Wtewael, die meer dan in de kunst fortuin maakte als handelaar in obligaties en aandelen, vlas en onroerend goed, niet ook tenminste een tikje ijdele eer legde in zijn verbluffende schilderkunst.